|
|
|
Romano Guardini VAN HEILIGE SYMBOLEN een inleiding in de levende werkelijkheid der liturgie
DERDE VERMEERDERDE DRUK 1941 IN OPDRACHT VAN HET KATHOLIEK COMITE VAN ACTIE “VOOR GOD”
UITGEVERIJ DE TOORTS N.V. HEEMSTEDE
Evulgetur Dr. K. Steur. Libr. Censor a.h.d. Warmundae 20 Sept. 1940
De Nederlandsche vertaling van dr. Victor Leemans werd opnieuw doorgelezen en volgens den tekst van de laatste Duitsche uitgave aangevuld door C. A. Bouman. Het voorwoord schreef pater M. Molenaar M.S.C.
BLADWIJZER
“VON HEILIGEN ZEICHEN” IS DE oorspronkelijke titel van 't kleine geschrift, dat op de volgende bladzijden in het Nederlands werd vertaald. Schrijver van dit veel verspreide duitse boekje is de bekende cultuur-filozoof, de priester Romano Guardini. Deze naam waarborgt zowel de degelijkheid als de verhevenheid van de inhoud, die in een voortreffelijke vertaling ongeschonden de nederlandse lezers wordt aangeboden. Reeds om dit laatste verdient dit aanbod dankbaar te worden aanvaard. Want alhoewel dit bundeltje korte beschouwingen, wat taal betreft, tot het meest doorzichtige proza van Guardini kan worden gerekend, toch bevat het wendingen, verkortingen en een persoonlijke woordkeus, welker trouwe weergave in het Nederlands een moeilijke taak is. Vervulbaar alleen door 'n voorafgaande, volkomen beleving van des schrijvers momentele bedoeling. Deze korte beschouwingen zijn geen maakwerk, geen verplichte leverantie geweest. Het zijn inwendige ervaringen in de loop van een tiental jaren spontaan ontstaan en innig samenhangend met de persoonlijke ontwikkeling van den schrijver. De uitgave dezer persoonlijke notitie's is echter geheel verantwoord. Zij bewijzen een prachtige dienst aan eenieder, die gewend geraakt aan godsdienstige uitwendigheden, op het goede ogenblik bespeurt, dat ook in zijn leven het oude “assueta vilescunt” bewaarheid wordt: de wet, die zegt, dat hetgeen waaraan men gewoon is, zijn waarde verliest. Want eenieder die dit bespeurt, zal terzelfdertijd inzien, hoezeer het leven wordt afgesnoerd van zijn bezielende kern en verarmd wordt, wanneer het waarneembare, dat vorm is van het diepzinnigste en van het heiligste, of in dienst daarvan staat, deze inhoud en functie verliest en louter uitwendigheid wordt. Verdieping en verrijking van het godsdienstig leven: dit is dan ook de beste weergave van de bedoeling, waardoor dit geschriftje beheerst wordt. Verdieping: door de innerlijke zin te verklaren van het uiterlijk waarneembare, terwijl enerzijds uitdrukkelijk vermeden wordt deze zin te fantazeren, of af te leiden uit een of andere theoretische stelling, en terwijl anderzijds uitdrukkelijk gezocht wordt, hem te winnen uit het waarneembaar voorwerp, uit de waarneembare ritus zelf, zoals karakter uit gedragsmanieren. Verrijking: want het gebruik van het aldus verklaarde voorwerp en de voltrekking van de aldus verklaarde handeling geschieden vanuit innerlijk besef, worden waarlijk levensuitingen, worden levensbezit, en door de geheimzinnige wisselwerking tussen uiterlijk en innerlijk versterken zij op hun beurt de levendigheid van het besef. waaruit zij levend zijn voortgekomen. In het hoofdstukje “De Trappen”, zinspeelt Guardini op deze verdieping en verrijking, waar hij zegt: . “We hebben nu reeds vele dingen overwogen: is het u ook duidelijk geworden, wat we eigenlijk hebben gedaan? Steeds weer is het ons te doen geweest om lang bekende dingen, en toch zijn ze ons nieuw -voorgekomen. Het waren zaken duizendmaal gezien: maar nu hebben we ze beschouwd zoals het moet en ze hebben ons veel schoons geopenbaard. Wij hebben geluisterd en zij zijn begonnen tot ons te spreken. Handelingen, die we reeds vaak voltrokken, hebben we beter aangevoeld, hebben we met aandacht verricht, en hun diepe zin is ons duidelijk geworden. “Dat zijn belangrijke ontdekkingen! Zoo moeten we ons toe-eigenen, wat we reeds lang bezaten, opdat het werkelijk ons eigendom wordt. Wij moeten leeren helder zien, duidelijk hooren, juist handelen. Dat is het groote leeren-zien, het wetendworden. Zoolang wij zoover niet zijn, blijft alles ons stom en duister. Weten we het ons echter eigen te maken, dan opent het zich; het openbaart zijn innerlijk. en van daaruit, uit zijn wezen, vormt zich het uiterlijk. En gij zult ondervinden: juist de doodgewone zaken, de alledaagsche handelingen verbergen het allerdiepste. In het eenvoudigste ligt het grootste geheim”. “Lang bekende dingen”, zoals de kaars, het wijwater, de wierook, de deur, het brood en de wijn, en “handelingen, die wij reeds vaak voltrokken”, zoals het knielen, het recht staan, het stappen. Al deze uitwendigheden krijgen nu kans, te worden wat ze zijn: tekenen en symbolen van de diepste, christelijke werkelijkheden. gestalten, waarin onze innigste ervaringen naar buiten treden. Is het geen heerlijke weldaad. die dit eenvoudige boek, in stilte overwogen, ons bewijzen wil? Maar het schoonste voordeel, dat het luisteren naar dezen zo bewust levenden priester Guardini ons aanbrengt, is de lust, die hij opwekt, deze geestelijke ontdekkingstocht voort te zetten. Er is nog zoveel, dat in zijn diepste “zijn” ons ontroofd werd door sleur, mechanisme en conventie, die de dagelijkse vijanden zijn van onze scheppende godsdienstige krachten. Alleen: deze winst aan leven veronderstelt behoefte aan leven, eerbiedige nadering tot wat in veel gevallen in zijn verschijning uiterst simpel is, en daarom terugkeer tot de stille gebieden van ziel en geest. Het zoude roekeloos kunnen genoemd worden in deze dagen, in dit rumoer van oorlog en hartstochtelijke spannende ondernemingen. een lectuur aan te bieden, die een geesteshouding vraagt, zo geheel in tegenstelling met die van de tijd. Het zoude roekeloos kunnen genoemd worden, wanneer niet de verwachting bestond, dat juist als reactie op de ruwe uitwendigheden, waarin geleefd moet worden, op de teleurstellingen bij zoveel verlies van wat onwankelbaar van waarde scheen, het heil weer gezocht wordt, waar het alleen te vinden is, en waarheen elk mensenhart, nog niet verdord, onwederstaanbaar zich voelt gewend: het Rijk Gods in ons, de zuivere koele stilten des geestes, de schone geheimen, verscholen onder het waarneembare en bereikbaar door de levendige schouwing, die deze voortreffelijke leermeester Romano Guardini ons voordoet. M. MOLENAAR M.S.C. BIJ HET SCHRIJVEN VAN DE VOLGENDE hoofdstukjes had ik de bedoeling te helpen bij het ontdekken van de wereld der liturgie. Ik werd daarbij geleid door de meening, dat dit doel niet gemakkelijk te bereiken valt door uiteenzettingen als: in dien bepaalden tijd, onder invloed van die en die omstandigheden is dit gebruik, is dat gebed ontstaan. Ook niet door verklaringen als: deze ceremonie beteekent dit, een andere dat, terwijl men daarbij den liturgischen handelingen een zin geeft, die mogelijk zeer diepzinnig is. maar duidelijk is afgeleid van een leerstellige gedachte, welke de levende werkelijkheid van de liturgische handeling niet volkomen dekt. Want in de liturgie gaat het niet allereerst om gedachteninhoud, maar om realiteit. En niet om een werkelijkheid uit het verleden, maar om die van het oogenblik, die steeds weer opnieuw levend wordt, in ons en door ons levend wordt; om een werkelijkheid van menschelke gedaante en menschelijke handeling. Deze werkelijkheid nu verduidelijkt men niet, als men zegt: ze is toentertijd ontstaan en heeft zich zoo en zoo ontwikkeld. Ook niet, als men er de een of andere leerstellige gedachte onder schuift. Men kan het gestelde doel slechts bereiken door te trachten uit den tastbaren vorm het innerlijk af te lezen; uit het lichaam de ziel; uit stoffelijk gebeuren de verborgenheden van den geest. De liturgie is een wereld van heilige, verborgen werkelijkheid. die vorm heeft gekregen; zij is sacramentaal. In de eerste plaats gaat het er dus om, die levende handeling te leeren, waarmee de geloovige mensch de heilige ,.zichtbare teekenen van onzichtbare genade” ontvangt en voltrekt. Allereerst gaat het om een liturgische houding, niet zoozeer om kennis der liturgie, al is deze daarvan natuurlijk niet te scheiden; om een aanwijzing, om tenminste een opwekking, tot het bewust beleven en voltrekken van de “heilige symbolen”. Het leek me het best met het eenvoudigste te beginnen; met de elementen, waaruit het indrukwekkend geheel der liturgie in laatste instantie is opgebouwd. Men moet leeren aanvoelen, in hoeverre ook deze elementen teekens, symbolen zijn. Dan eerst kan men begrijpen. hoe uit hen de heilige riten van sacramenten en sacramentaliën konden opgroeien. Ik weet heel goed, dat anderen dit onderwerp beter en juister zouden kunnen behandelen: een moeder, die zelf gevormd is in den geest van de liturgie en nu haar kind leert behoorlijk het heilig kruisteeken te maken; het in de brandende kaars een gestalte leek zien. welke zijn eigen innerlijk uitdrukt; het leert, hoe het in de waardigheid van zijn menschzijn in het huis van zijn Vader moet staan.. . en dit alles allerminst uit drang naar schoonheid, maar alleen door toe te zien en te handelen, niet louter steunend op gedachten, waar het gebaar als een leeg omhulsel omheen zou blijven hangen. Of een onderwijzer, die werkelijk met zijn leerlingen meeleeft; die hen ertoe brengt den Zondag te begrijpen en te vieren: het hoogfeest; het kerkelijk jaar met zijn seizoenen; het kerkportaal en de klokken, het rijzige schip en de processie door de akkers ... zij zouden kunnen zeggen, hoe men heilige symbolen ten leven moet wekken! Ik ervoer het als een vervulling en tegelijkertijd als een belofte, toen ik in een boek van Maria Montessori - de beroemde katholieke paedagoge, die door zelfwerkzaamheid een harmonische ontwikkeling opbouwt - las, hoe in een van haar scholen de kinderen een wijnberg verzorgen en zelf de druiven plukken; hoe zij een korenveld zaaien en den oogst binnenhalen: hoe ze, zoover als hun dat mogelijk is, volgens de kerkelijke voorschriften het brood en den wijn bereiden en die als hun eigen gaven naar het altaar brengen.( Dr. Maria Montesori, De Hellige Mis uitgelegd aan de Jeugd. 1939, De Toorts N.V., Heemstede, Bladz. 64.) Dat is verbonden met het juiste onderricht – liturgische vorming. Niet door onderricht alleen komt men tot liturgisch leven, maar voornamelijk door te doen. Toezien en handelen zijn de waarden, waaraan al het overige ondergeschikt moet blijven. In het licht van de zuivere leer; in samenhang met de katholieke traditie; dat blijft natuurlijk staan. Maar het moet een “doen” blijven - en iets werkelijk “doen” blijft altijd meer dan het “oefenen” om de handeling juist te kunnen verrichten. Doen is iets elementairs, dat den heelen mensch met al zijn krachten opeischt; het moet een werkelijk voltrekken zijn, een bewust ervaren. Als zulke opvoeders eenmaal aan de hand van hun ervaring over heilige symbolen zullen schrijven, kan dit boek verdwijnen. Maar zoolang dit niet het geval is, heeft het 't recht en den plicht naar best vermogen zijn eigen woord te spreken.
MAAKT GE 'T KRUISTEEKEN, MAAK het dan zooals het behoort. Niet zoo'n verminkt, haastig gebaar, waarvan men niet weet wat het eigenlijk moet beteekenen. Neen, een goed kruisteeken, langzaam, groot, van het voorhoofd tot de borst, van den eenen schouder tot den anderen. Voelt gij, hoe het u geheel omvat? Denk er eens goed aan wat ge doet; leg al uw gedachten en heel uw gemoed eens in dit teeken, zooals het gaat van voorhoofd tot borst, van schouder tot schouder. Dan voelt gij het: Het omvat u geheel en al, met lichaam en ziel; het richt zich tot geheel uw wezen, het zegent u, heiligt u. Waarom? Het is het teeken van het al en het teeken der verlossing. Aan het kruis heeft Onze Heer alle menschen verlost. Door het kruis heiligt Hij den mensch volledig, tot in de laatste vezel van zijn wezen. Daarom maken wij het kruisteeken voor we gaan bidden, om ons aan al het andere te onttrekken en gedachten, hart en wil alleen op God te richten. Na het gebed, opdat in ons zou blijven, wat God ons zweven heeft geschonken. In de bekoring, opdat het ons sterke. In het gevaar, opdat het ons bescherme. Bij den zegen, opdat Gods levensvolheid vrij in de ziel kan binnenstroomen en alles daarin bevruchten en wijden. Denk daaraan, zoo dikwijls ge het kruisteeken maakt. Het is het heiligste teeken dat er bestaat. Maak het goed, langzaam, groot, met aandacht. Dan omvat het geheel uw wezen, lichaam en ziel, uw denken en uw willen, verstand en gemoed, doen en laten, en alles wordt erin gesterkt, gestempeld, gezegend, in de kracht van Christus, m den naam van den drïeëenigen God.
HET HEELE LICHAAM IS WERKTUIG en uitdrukking van de ziel. Want deze is niet alleen binnenin het lichaam, zooals iemand in zijn huis zit, maar zij woont en werkt in elk lid, in iedere vezel. Zij spreekt uit elke lijn en vorm en beweging van het lichaam. Op een bijzondere wijze nochtans zijn aangezicht en hand werktuig en spiegel der ziel. Van het aangezicht is dit zonder meer duidelijk. Maar sla eens een mensch gade - of uzelf -, hoe elke gemoedsbeweging, vreugde, verrassing, verwachting, zich weerspiegelt in een handgebaar. Zegt het vluchtig opsteken of het zenuwachtig samentrekken der hand vaak niet meer dan 'n woord? Schijnt het gesproken woord soms niet grof naast de fijne, zooveel zeggende gebarentaal? De hand is na het aangezicht het meest bezielde deel van ons lichaam. Ze is niet alleen krachtig en sterk als werktuig om te arbeiden, als wapen tot aanval en afweer. maar ook gebouwd in uiterst soepele geledingen, beweeglijk 'en met fijnvoelende zenuwen doortrokken. Echt een werktuig, waarin de mensch zijn eigen geest tot uitdrukking kan brengen. En den geest van anderen in zich opnemen; want ook dat doet hij met zijn hand. Neemt iemand den geest van iemand anders niet in zich op, als hij de hem toegestoken hand drukt? Met alle vertrouwen, vreugde, hartelijkheid en leed, waar die hand hem van vertelt? Zoo kan het wel niet anders, of de hand moet ook dáár haar taal hebben, waar de ziel zoo bijzonder veel zegt of ontvangt, voor God. Waar ze zichzelf geven en God zelf ontvangen wil, in het gebed. Als iemand geheel en al in zichzelf keert, in zijn ziel met God alleen is, dan sluit zich de eene hand vast in de andere, dan kruisen de vingers zich, als moest een innerlijke stroom, die verloren zou kunnen gaan, van de eene hand in de andere geleid worden en in het binnenste terugstroomen, zoodat alles binnen blijft, bij God. Het is een gebaar van zelfinkeer, een beschermen van den verborgen God. Het zegt: “God is van mij, en ik ben van Hem, en binnenin zijn we alleen met elkaar”. Evenzoo doet de hand als een innerlijke drang, een groote nood, een smart ons dreigt te overweldigen. Weer sluiten de handen in elkaar en de ziel strijdt tot ze zich bedwongen heeft, tot rust is gekomen. Staat echter iemand in een nederige, eerbiedige houding voor God, dan legt hij de gestrekte hand plat naast de andere. Daaruit spreekt zelfbedwang, beheerschte eerbied. Dat is een ootmoedig, wel geordend spreken van het eigen woord en een oplettend luisteren naar het goddelijke. Ofwel drukt dit gebaar een zich-weggeven uit, offervaardigheid, daar we onze handen waarmee we ons verdedigen, als het ware weerloos en gebonden in Gods handen leggen. Of het gebeurt, dat de ziel zich geheel en al voor God opent, in grooten jubel of dankbaarheid. Dat in haar. als bij een orgel, alle registers opengaan, en haar innerlijke volheid breed uitstroomt. Ofwel er komt een sterk verlangen in ons op. Dan opent de mensch zijn handen en heft ze breed uitgestrekt omhoog, opdat de zielestroom vrij kan vloeien en de ziel volledig ontvangen kan, waarnaar ze dorst. En tenslotte kan het voorkomen, dat iemand in zichzelf keert met alles wat hij is en heeft, om zich als offergave aan God te geven. wetend, dat er offers van hem zullen worden gevraagd. Dan drukt hij handen en armen tegen de borst in den vorm van een kruis. Schoon en grootsch is de taal van de hand. De Kerk zegt van haar, dat God ze ons gegeven heeft opdat we “in haar onze ziel zouden dragen”. Bedenk, hoe ernstig de heilige taal der handen is. God luistert aandachtig naar hetgeen ze Hem van het binnenste der ziel zegt. Ze kan ook van traagheid des harten. verstrooidheid en andere verkeerdheden spreken. Houd uwe handen in uw macht, en zorg ervoor, dat uw innerlijk met dit uiterlijke waarachtig overeenstemt! Het is een teere zaak, waarover we gesproken hebben. Eigenlijk zegt men dergelijke dingen niet graag. Het 'stuit ons min of meer tegen de borst. Des te nauwgezetter echter zullen we er in het dagelijksch leven op letten. Er geen ijdel, sierlijk spel van maken. maar een taal, waardoor het lichaam in ongekunstelde oprechtheid aan God zegt, wat er in de ziel omgaat. WAT DOET IEMAND, ALS HIJ HOOGMOEDIG wordt? Dan rekt hij zich uit, verheft hoofd en schouders en geheel zijn gestalte. Alles aan hem zegt: “Ik ben grooter dan gij! Ik ben meer dan gij!” Is echter iemand nederig van gemoed, voelt hij zich klein, dan buigt hij het hoofd, dan krimpt zijn gestalte. Hij “vernedert zich”. En wel des te dieper, naarmate hij die voor hem staat, grooter is; naarmate hij zich in zijn eigen oogen kleiner voorkomt. Maar waar worden we duidelijker gewaar, hoe klein we zijn, dan wanneer we voor God staan? De groote God, die gisteren was als vandaag en voor honderd en duizend jaren! Die deze kamer vervult, en geheel de stad, en de wijde wereld en den onmetelijken sterrenhemel, en alles is voor Hem als een stofje. De heilige God, zuiver, rechtvaardig en van oneindige grootheid ... Wat is Hij groot ... En ik zoo klein! Zóó klein, dat ik mij zelfs niet met Hem vergelijken kan! Als vanzelf wordt het ons duidelijk, dat wij voor Hem niet trots recht mogen blijven staan. Men “wordt klein”; men zou zijn gestalte korter willen maken, dat ze niet zoo aanmatigend daar zou staan en zie, reeds is de helft van haar hoogte geofferd: De mensch knielt. En is dit nog niet genoeg voor hem, dan kan hij er zich nog bij buigen. En de diep gebogen gestalte spreekt: “Gij zijt de groote God, ik echter ben niets!” Als ge uw knie buigt, laat het dan geen haastige, zinledige beweging zijn. Beziel deze beweging! En de ziel van het knielen is, dat ook inwendig het hart met grooten eerbied voor God moet buigen. Als ge de kerk in- of uitgaat, of voorbij het altaar treedt, kniel dan neer, diep, langzaam en met heel uw hart, en zeg er bij: “Mijn groote God...!” Dat is nederigheid, dat is waarheid, en telkens weer zal het uw ziel goed doen. WE HEBBEN EROVER GESPROKEN, hoe de eerbied voor den oneindigen God een gepaste houding eischt. Hij is zoo groot, en wij zijn voor Hem zoo nietig, dat deze overtuiging zich naar buiten openbaart: Zij maakt ons klein, doet ons neerknielen. Deze eerbied kan men echter nog op een andere wijze toonen. Stel u eens voor. dat ge neerzit, uit rust of een gesprek voert. Daar komt een eerbiedwaardig persoon op u toe die u aanspreekt. Aanstonds zult ge opstaan en hem in rechte houding te woord staan. Wat beteekent dat? Dat rechtstaan beteekent vooral, dat we ons concentreeren. In plaats van de losse zittende houding nemen we een beheerschte, strakke aan. Het beteekent dat we aandachtig zijn. In het rechtstaan ligt iets gespannens. wakkers. En tenslotte beteekent het. dat we gereed zijn. Want iemand die recht staat, kan zich oogenblikkelijk verwijderen; kan onmiddellijk een opdracht uitvoeren, een werk beginnen. zoodra hem dit wordt opgedragen. Dit is de andere kant van den eerbied voor God. In het knielen was het de aanbiddende eerbied, die in rust blijft. hier de wakende. de actieve. Dit is de eerbied van den oplettenden dienaar, den gewapenden krijger. Hij openbaart zich door het rechtstaan. Wij staan op als de blijde boodschap weerklinkt: bij het evangelie in de heilige Mis. De peter en meter staan recht, als ze in plaats van het kind de doopbeloften afleggen. De kinderen staan recht, als ze bij de plechtige heilige Communie deze beloften hernieuwen. En zoo nog bij verschillende andere handelingen. Ook als iemand alleen en stil voor zichzelf bidt, kan de staande houding zijn innerlijke ontroering verraden. De eerste christenen baden zeer graag in die houding. Ge kent wel de afbeelding van de Orante uit de catacomben, een rechte gestalte met uitgestrekte armen, waaronder het gewaad in nobele plooien neerhangt. Haar houding is vrij en toch beheerscht; rustig luisterend naar het Woord en bereid tot vreugdevol handelen. Soms kan men niet goed knielen: men voelt er zich benauwd bij. Dan doet rechtstaan goed; het maakt vrij. Maar dan ook “recht”staan! Op beide voeten, zonder ergens tegen aan te leunen. Met gestrekte knieën, niet slap gebogen. Rechtop en beheerscht. Zoo wordt ons gebed intens en terzelfdertijd vrij, vol eerbied en bereid tot het doen van groote dingen.
H OEVELEN ZIJN ER, DIE MET VASTEN stap voorwaarts kunnen gaan? Het is geen rennen en hollen, maar een rustige beweging. Geen sluipen, maar rechtop gaan. Ook geen dreunend, overmoedig marschtempo. Iemand die stapt gaat met veerkrachtigen tred, hij slentert niet. Rechtop, niet gebogen. Niet onzeker, maar in evenwicht en maat. Het is schoon rechtop te stappen. Vrij en toch beheerscht. Licht en sterk, rechtop en geen lasten schuwend, rustig en vol stuwende kracht. En naargelang het een man of een vrouw is die stapt, draagt deze kracht een strijdbaren of een bevalligen trek; de moed om zware lasten te dragen, ofwel de aantrekkelijke klaarheid van innerlijke rust. En hoe schoon is het, waar het vroom geschiedt! Tot zuiveren eeredienst kan het worden. Reeds in het eenvoudige treden in Gods tegenwoordigheid, bewust en eerbiedig, bijvoorbeeld als men de kerk binnentreedt, het huis van den oppersten Koning, waar men op bijzondere wijze onder Gods oogen is. Of het is een begeleiding van God, als we in de processie stappen, - denkt ge niet aan het lui geslenter, aan het lusteloos zich-voortslepen en rondgapen bij zooveel ommegangen? Het kon zoo'n feestelijk-blij schouwspel zijn, den Heer door de straten der stad, of door de velden, “zijn eigendom”, rond te leiden, als allen met Hem stapten met biddend hart, mannen met weerbaren tred, vrouwen met moederlijke waardigheid., meisjes met de kuische aantrekkelijkheid van hun blije jeugd, jongemannen met ingehouden kracht ... Zoo kon een boetetocht. een bedevaart een levendig, ernstig gebed worden! Een nadrukkelijke belijdenis van schuld en nood kon het zijn, en toch beheerscht door christelijke gerustheid. die weet dat. u zooals er in den. mensch een kracht is boven zijn andere krachten, zijn eigen vaste wil, dat er zoo een macht is boven allen nood en alle schuld, de levende God. Is het stappen niet de uitdrukking van den adel van het menschelijk wezen? De rechte gestalte. Die meester is over zichzelf en steunt op eigen kracht, rustig en zeker, blijft alleen het voorrrecht van den mensch. Rechtop stappen heet mensch zijn. Maar we zijn meer dan louter menschen. “Uit goddelijk geslacht zijt ge”, zegt de Schrift. Uit God wedergeboren tot nieuw leven. Christus leeft in ons: op een bijzonder intieme wijze door het Sacrament des Altaars. Want Zijn Lichaam verteert in ons lichaam en Zijn Bloed stroomt in den kringloop van ons bloed. “Wie mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, die blijft in Mij en Ik in hem” heeft Hij gezegd. Christus groeit in ons en wij groeien in m, steeds dieper, breeder. hooger, tot we “zijn uitgroeid tot de mannenmaat van Jezus-Christus”; tot Hij .,in ons gevormd is”, zoodat geheel ons wezen en al ons doen, “of we eten. of slapen of wat we ook verrichten”, arbeid en spel, vreugde en tranen, geworden zijn tot één Christusleven. Zie de kennis van dit geheim kon zulk een blije, van schoonheid en kracht doortintelde uitdrukking vinden in het doordachte stappen. Het kon de diepzinnige verwerkelijking zijn van het gebod: “Wandel voor Mij en wees volmaakt”. Maar dan waarachtig en eenvoudig! Geen aanstellerij! Alleen uit waarheid, niet uit ijdel gedoe kan de schoonheid van het stappen komen. D E HEILIGE MIS IS BEGONNEN. De priester staat aan den voet van het altaar. De geloovigen, of de misdienaars in hun plaats, bidden: “Ik belijd voor den almachtigen God... dat ik zeer gezondigd heb, in gedachten, woorden en werken, door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn allergrootste schuld”. En zoo dikwijls ze het woord “schuld” uitspreken, kloppen ze op hun borst. Wat beteekent dat, als de mensch op zijn borst klopt? Laten we dat eens nagaan. Maar daartoe moeten we de handeling juist verrichten. Niet zoo maar even met de vingertoppen tegen onze kleeren tikken; de gesloten vuist moet op de borst kloppen. Wellicht hebt ge wel eens op oude afbeeldingen den heiligen Hiëronymus gezien. hoe hij in de woestijn knielt, terwijl hij met een steen in de hand krachtig tegen zijn borst slaat. Het is een slag, geen sierlijk gedoe! Een bonzen op de poorten onzer innerlijke wereld, zoodat ons diepste wezen ervan beeft. Dan voelen we, wat het beteekent. Vol leven moet die wereld zijn, vol licht en kracht en sterke activiteit. Hoe ziet het er echter in werkelijkheid uit? Zware eischen, plichten, nooden die om een oplossing vragen, rijzen voor ons op. Maar nauwelijks roert er iets binnen in ons. Hoe menige schuld hebben we op ons geladen, maar ze plaagt ons niet. “Middenin het leven zijn we omgeven door den dood” maar we denken er niet aan. Daar roept de stem van God: “Waak! Kijk om u heen! Denk na! Keer uw zinnen af! Doe boete!” Deze roep wordt belichaamd in het kloppen op de borst. Dit moet ons doordringen; moet de wereld daarbinnen opschrikken, opdat zij ontwaakt. de oogen opent, zich tot God keert. Bezinnen we ons echter. dan wordt het: ons duidelijk hoe wij het ernstige leven verbeuzeld, hoe wij Gods gebod overtreden, hoe wij onze plichten verzuimd hebben, “door onze schuld, door onze schuld, door onze allergrootste schuld”. In deze schuld ligt onze ziel gevangen en slechts één uit komst blijft haar over, namelijk, ronduit te bekennen: Ik heb gezondigd, met gedachten, woorden en werken. tegen den heiligen God en tegen de Gemeenschap der Heiligen. Zij stelt zich aan de zijde van God en trekt partij voor Hem tegen zichzelf. Zij beoordeelt zichzelf, gelijk God het doet. Zij is boos om hare zonde en straft zich door op de borst te slaan. Dát beteekent het dus als de mensch op zijn borst klopt: Hij wekt zich. Hij schudt de inwendige wereld wakker. opdat deze Gods stem zou vernemen: Hij stelt zich aan de zijde van God en straft zichfzelf. Bezinning dus, spijt, ommekeer in zijn bedoelingen. Daarom kloppen priester en volk op hun borst als zij bij het gebed aan den voet van het altaar hun zonden belijden. Wij doen het, als ons voor de Communie het Lichaam des Heeren getoond wordt en als wij zeggen: “Heer, ik ben niet waardig dat Gij komt onder mijn dak”. Als we in de litanie onze schuld bekennen en zeggen: “Wij zondaars, wij bidden U, verhoor ons”. Ook dit gebruik heeft voor velen zijn beteekenis verloren. Zoo kloppen de geloovigen wel op hun borst, als bij de consecratie hostie en kelk worden opgeheven. Of als ze in den Engel des Heeren zeggen: “En het Woord is Vleesch geworden”. Hier is de eigenlijke zin verloren gegaan, en is de handeling alleen nog een algemeene uitdrukking van eerbied en nederigheid. Een uiting van bitteren ernst moet zij blijven: een roep tot zelfbezinning en een zelfkastijding van het rouwmoedig hart. WE HEBBEN NU REEDS VELE DINGEN overwogen; is het u ook duidelijk geworden, wat we eigenlijk hebben gedaan? Steeds weer is het ons te doen geweest om lang bekende dingen, en toch zijn ze ons nieuw voorgekomen. Duizendmaal geziene zaken waren het: maar nu hebben we ze beschouwd zooals het moet en ze hebben ons veel schoons geopenbaard. Wij hebben geluisterd en zij zijn begonnen tot ons te spreken. Handelingen, die we reeds vaak voltrokken, hebben we beter aangevoeld hebben we met aandacht verricht, en hun diepe zin is ons duidelijk geworden. Dat zijn belangrijke ontdekkingen! Zoo moeten we ons toeëigenen, wat we reeds lang bezaten, opdat het werkelijk ons eigendom wordt. Wij moeten helder leeren zien, duidelijk leeren hooren, juist leeren handelen. Dat is het groote leeren-zien, het wetend-worden. Zoolang wij 'zoover niet zijn, blijft alles ons stom en duister. Weten we het ons echter eigen te maken, dan opent het zich; het openbaart zijn innerlijk, en van daaruit, uit zijn wezen, vormt zich het uiterlijk. En gij zult ondervinden: Juist de doodgewone zaken, de alledaagsche handelingen verbergen het allerdiepste. In het eenvoudigste ligt het grootste geheim. Zoo hebt ge bijvoorbeeld de trappen. Ontelbare keeren zijt gij ze reeds opgegaan. Maar zijt ge u bewust geworden van hetgeen daarbij in u omging? Want er gebeurt iets in ons, als we omhoog gaan. Alleen, het is zeer fijn en stil, en men ziet - het licht over het hoofd. Een diep geheim openbaart zich daar. Een van die werkingen, die uit den oergrond van ons menschelijk wezen' omhoog rijzen; iets raadselachtigs, met het verstand niet op te lossen: en toch begrijpt eenieder het, omdat ons diepste innerlijk erop resoneert. Als we de trappen bestijgen, dan stijgt niet alleen onze voet, maar ook ons geheele wezen. Ook geestelijk stijgen we. En als we het met aandacht doen, dan lijkt het of wij opstijgen tot die hoogte, waar alles groot en volmaakt is: Dat is, de hemel waarin God woont. Maar onmiddellijk treft ons een moeilijkheid. Is God dan daarboven? Voor Hem bestaat er toch geen beneden en boven! Tot bij God geraken we slechts, als we reiner, oprechter, beter worden. Maar wat heeft het beter-worden met het lichamelijke hooger-stijgen te maken? Wat het rein-zijn met het staan op een verhevenheid? Hier kan men niets meer verklaren. Het lagere treft ons nu eenmaal uiteraard als een gelijkenis van het gemeene, slechte; het hoogere als een gelijkenis van het edele, goede, en lijnrecht opstijgen spreekt ons van een opgang van ons wezen tot den “Allerhoogste”, tot God. Wij kunnen het niet verklaren: maar het is zoo; diep in ons worden wij het gewaar, bewust. Daarom leiden trappen van de straat tot de kerk; die zeggen: “Gij gaat omhoog, naar het huis des gebeds, dichter bij God”. Van het schip van de kerk gaat men langs trappen naar het koor; die zeggen: “Nu treedt ge het Allerheiligste binnen”. En trappen gaan naar het altaar toe. Tot wie daar opgaat, zeggen ze, wat eens God tot Mozes zei op den berg Horeb: “Doe uw schoenen uit, want de plaats hier is heilig”. Het altaar is de drempel der eeuwigheid. Hoe verheven is dat! Nu weet ge hoe ge de trappen moet bestijgen, nietwaar! Nu weet ge, dat ge omhoog gaat. Nu zult ge al het lagere daarlaten en werkelijk “in de hoogte” stijgen. Maar waarom zouden we hier nog veel over spreken. Het komt er slechts op aan, dat het u innerlijk duidelijk wordt; dat het “opstijgen van den Heer” zich in u mag voltrekken, dat is alles.
REEDS DIKWIJLS ZIJN WE DOOR DE deur de kerk binnengetreden en telkens heeft ze ons iets gezegd. Hebben we dat verstaan? Waarom zou die deur daar wel zijn? Wellicht verwondert gij u om deze vraag. “Om in en uit te gaan”, meent ge; het antwoord is toch niet moeilijk. Zeker; maar om in en uit te gaan is toch geen deur noodig. Dat kon eveneens geschieden door middel van een groote opening in den muur, en een stevige afsluiting van balken en sterke planken zou voldoende zijn om die opening te sluiten. Het volk kan naar binnen en naar buiten; het zou ook goedkoop en doelmatig zijn. Maar een “deur” zou het niet zijn. Die wil meer dan alleen maar een zakelijk doel vervullen; die spreekt. Zie, als ge tusschen de deurposten doorgaat, dan voelt ge: “Nu verlaat ik wat buiten ligt; ik treed binnen”. Buiten is de wereld, schoon, vol krachtig leven en doen. Maar daartusschen ook veel leelijks, veel dat laag is. De wereld heeft iets van een markt; iedereen loopt erop rond, alles stelt zich ten toon. We willen haar niet onheilig noemen, alhoewel de wereld er iets van weg heeft. Door de deur echter treden we in een binnenste, dat van de markt gescheiden is, stil en vol wijding: in het heiligdom. Zeker, alles is Gods werk en Gods geschenk. Overal kan Hij ons te hulp komen. Elk ding moeten we uit Gods handen ontvangen en door vromen zin heiligen. En toch hebben de menschen van het begin af geweten, dat bepaalde plaatsen bijzonder gezegend zijn, aan God zijn toegewijd. De deur staat tusschen buiten en binnen. Tusschen markt en heiligdom; tusschen wat de wereld toebehoort, en wat aan God is toegewijd. En als iemand door haar binnentreedt, dan spreekt ze tot hem: “Laat buiten, wat hier niet behoort, gedachten, wenschen, zorgen, nieuwsgierigheid en ijdelheid. Laat buiten alles wat niet gewijd is. Zuiver u, ge treedt het heiligdom binnen”. We moeten niet haastig door de deuropening loopen! Langzaam moeten we er doorheen gaan en ons hart openen, opdat het verneemt, wat ze zegt. Alvorens binnen te treden moesten we onzen stap even vertragen, opdat onze doorgang een voortgaan zij in loutering en inkeer. Maar de deur zegt nog meer. Let eens op, als gij er door gaat; onwillekeurig verheft gij hoofd en oogen. De blik stijgt omhoog en schouwt in de ruimte; de borst verruimt zich, er groeit iets in de ziel. Het hooge kerkruim is het beeld van de oneindige eeuwigheid, van den hemel, waarin God woont. Wel zijn de bergen nog hooger, wel is onmeetbaarder de blauwe ruimte daarbuiten. Maar alles is daar open, geen grens is daar en geen vorm. Hier echter is de ruimte voor God afgezonderd. Voor Hem gevormd, geheiligd. Bij het beschouwen van de ranke zuilen, van de breede, sterke muren, van het hooge gewelf voelen we: Ja, dit is Gods huis, Gods woning op een bijzonder intieme wijze. En de deur leidt de menschen in dit geheim binnen. Ze zegt: “Leg het kleine af. Weg met al wat Eng is en benauwt. Weg met al wat terneer drukt. Verruim de borst. Hef de oogen naar omhoog. Hier moet de ziel vrij zijn! Dit is de tempel van God, en een gelijkenis van u zelf. Want gij zijt Gods levende tempel, uw lichaam en uw ziel. Maak dien tempel wijd, maak hem vrij en hoog.” “Verheft u, gij poorten! Gaat open, gij eeuwige poorten, opdat de koning der heerlijkheid binnentrede”, heet het in de Schrift. Hoort gij den roep? Waartoe helpt u het huis van hout en steen, indien gij niet zelf een levend huis van God zijt? Waartoe dient het u, als de poorten hoog welven en zware deurvleugels openvouwen, als zich binnen in u geen poort opent, en de koning der heerlijkheid niet kan binnentreden? WAT IS HET MET ONZE ZIEL TOCH vreemd gesteld! Met betrekking tot alle dingen der wereld vergaat het haar als eens den eersten mensch, toen God hem aan de dieren een naam liet geven: Nergens vond hij een wezen dat gelijk aan hem was. Bij alle dingen voelt zij: “Ik ben anders”. Geen wetenschap der wereld stoort haar in dit weten, en geen nederigheid stelt er een einde aan: .,Ik ben anders dan al het overige in de wereld. Aan alles vreemd, aan God alleen verwant”. En van den anderen kant heeft de ziel ook verwantschap met alle dingen. Bij alles voelt ze zich eenigszins tehuis. Alles spreekt tot haar, elke gestalte. elke beweging en elk gebaar. En rusteloos zoekt zij daarin haar innerlijk wezen uit te spreken, er het zinnebeeld van te maken van haar eigen leven. Zoo dikwijls ze een sterke gestalte ontmoet, voelt ze daarin iets van haar eigen wezen uitgesproken. voelt zij iets dat aan haarzelf herinnert. Is het niet zoo? Hier ligt de grond van iedere gelijkenis. Innerlijk ongelijk aan alle dingen. zegt de ziel telkens: .,Dat ben ik niet”. En daar ze toch ook weer aan alles op geheimzinnige wijze verwant is, ervaart zij dingen en gebeurtenissen als gelijkenissen van haar eigen wezen. Daar is één schoone gelijkenis, die voor velen bijzonder veelzeggend is: De kaars. Ongetwijfeld zeg ik u niets nieuws; zeker hebt gij 't reeds vaak ondervonden. Kijk, hoe ze op den kandelaar staat. Uit den breeden voet rijst de schacht omhoog; op het breed uitspringend blad staat de kaars. Langzaamaan verslankt haar vorm; vast van lijn, hoe hoog en ijl ook haar gestalte zich afteekent. Zoo staat ze in de ruimte, slank, in onbezoedelde reinheid, en toch gekleurd in warme harmonie; boven iedere vermenging uitgeheven door haar klare vormschoonheid. Daarboven zweeft de vlam, en in haar verandert de kaars haar zuiver lichaam in warm, stralend licht. Voelt ge, als ge voor haar staat. niet iets moois in u wakker worden? Kijk toch eens, hoe ze daar staat, vast op haar plaats, hoog opgericht, rein en edel, Alles spreekt aan haar: “Ik ben bereid!” Zie eens, hoe ze staat, waar het om God gaat. Er is niets haastigs aan haar, niets dat zou willen wijken: een klare dienstbaarheid. Zonder ophouden volgt zij haar bestemming, teert zij op tot licht en gloed. Gij zegt wellicht: “Wat weet de kaars daarvan? Zij heeft toch geen ziel?” Geef gij er haar dan een! Laat haar tot uitdrukking van uw ziel worden. Laat voor haar a uw edele gevoelens van bereidvaardigheid wakker worden: “Heer, hier ben ik!” Dan ervaart ge haar slanke. zuivere gestalte als de uitdrukking van uw eigen toestand. Laat uw dienstvaardigheid tot echte trouw uitgroeien. Dan voelt ge: “Heer, in die kaars daar sta ik voor U!” Loop van uw bestemming niet weg. Volhard. Vraag niet altijd naar het waarom en waartoe. De diepste zin van het leven is, in waarheid en liefde voor God te verteren, als de kaars. tot licht en gloed.
VOL GEHEIM IS HET WATER. GEHEEL rein – “kuisch” heeft de heilige Franciscus het genoemd - en eenvoudig; zonder pretenties, als wou het voor zichzelf niets beteekenen: zonder zelfzucht zou men zeggen, enkel daar, om anderen te dienen, te zuiveren en te verkwikken. Maar hebt ge wel eens water gezien dat roerloos boven een onpeilbare diepte stond en u diep doordrongen van den indruk dien het toen op u maakte? Hebt ge bemerkt hoe geheimzinnig die diepte was? Hoe het scheen, alsof het daaronder vol van wonder was, tegelijk verlokkend en kil? Of hebt ge nooit gehoord, hoe het water bruist in den stroom. Zonder ophouden stroomt en bruist, stroomt en bruist? Of hoe het kolkt en woelt en alles neerzuigt? Daar kan zulk een melancholisch geweld uit spreken, dat ons menschenhart erbij zou kunnen breken... Vol geheim is 't water. Eenvoudig, klaar, belangeloos; gereed te wasschen wat bemorst is, te verkwikken wat dorstig is. En tegelijkertijd ondoorgrondelijk, rusteloos, vol raadsels en geweld en onheil. Het is als een gelijkenis van de onpeilbare oergronden waaruit het leven stroomt en de dood roept; een gelijkenis van het leven zelf, dat zoo eenvoudig schijnt, en toch zoo raadselachtig is. Daarom begrijpen we goed, hoe de Kerk het tot gelijkenis en drager van het goddelijk Leven, de genade, maakt. Uit het doopwater zijn wij eens als nieuwe menschen opgestaan. “herboren uit het water en den heiligen Geest”, nadat de oude mensch daarin gestorven is, ondergegaan. En met “heilig water”, wijwater, besprenkelen wij in het kruisteeken voorhoofd en borst, schouder en schouder: met het oer-element, het raadselachtige, klare, eenvoudige en vruchtbare water, dat zinnebeeld en middel van het bovennatuurlijk levenselement, de genade, is. Door haar wijding heeft de Kerk het water gezuiverd. Gezuiverd van de donkere machten, die Erin sluimeren. Dat is geen ijdel woord! Wie een fijngevoelige ziel bezit, heeft de betoovering der natuurkracht, die uit het water kan ontstaan, reeds gevoeld. En is het wel loutere natuurkracht? Ligt er ook niet iets duisters in, iets wat buiten de natuur staat? In de natuur met al haar rijkdom en schoonheid, is ook het kwaad. het duivelsche verborgen. Het afstompende stadsleven brengt met zich mede, dat de mensch daarvoor vaak geen gevoel meer heeft. De Kerk echter weet het en daarom “reinigt” zij het water van alle ongoddelijke smetten en “wijdt” zij het, en bidt God, dat Hij het water make tot middel Zijner genadekracht. Als nu de christen Gods huis binnentreedt, dan bevochtigt hij voorhoofd en borst en schouder, dat in zijn geheele wezen, met het reine en reinigende water, opdat ook zijn ziel zuiver zou zijn. Is dat niet schoon: hoe in dit gebruik de van schuld gereinigde natuur en de genade en de naar reinheid verlangende mensch elkaar ontmoeten in het teeken des kruises? Of 's avonds! “De nacht is geen menschenvriend”, zegt het spreekwoord. Daarin ligt veel waars. Wij zijn voor het licht geschapen. Zoodra de mensch zich aan de macht van den slaap, van de duisternis overgeeft, waarin het licht van den dag en het bewustzijn verdwijnen, dan teekent hij zich met het teeken des kruises en heilig water, het zinnebeeld van de verloste natuur. God moge hem bewaren voor alles, wat duister is! En wanneer hij ’s morgens uit den slaap, uit de duisternis en het onbewuste opstaat en zijn leven opnieuw begint, teekent hij zich weer. Het is als een eenvoudige herinnering aan dat heilig water, waaruit hij door het doopsel tot het licht van Christus is te voorschijn gekomen. Ook dit is een schoon gebruik. Hier ontmoeten de verloste ziel en de verloste natuur elkaar in het teeken des kruises. OP EEN LATEN HERFSTAVOND GAAT ge te voet over het land. Om u heen is het Donker en guur. Doodeenzaam voelt de ziel zich in de kale uitgestrektheid. Met levendig verlangen zoekt zij iets om haar aandacht bezig te houden, maar nergens vindt ze iets wat haar treft. De kale boomen, de kille bergpas, de open vlakte - alles is dood! Zij alleen leeft in deze verlatenheid. Daar straalt opeens bij een draai van den weg een licht ... Heeft het niet geroepen? Als een antwoord op het zoeken van de ziel? Als iets dat verwacht werd, dat zoo behoort? Ofwel ge zit laat in een triestige kamer. De muren zijn grauw en onverschillig, het huisraad is stom. Daar komt een welbekende stap; een vaardige hand keert het vuur, het knettert. de vlam laait op, en uit het open kacheldeurtje valt een rode schijn in de kamer, golft weldadige warmte - wat is alles veranderd, nietwaar? Alles is eensklaps bezield. Gelijk wanneer in het starre gezicht van een doode plotseling wederom het leven zou lichten. Ja, het vuur is aan het leven verwant. Het is het trouwste zinnebeeld van het leven onzer ziel. Een zinnebeeld van al wat wij aan leven in onszelf ervaren. Warm en lichtend, altijd in beweging, altijd opwaarts strevend. Als wij de vlam onophoudelijk op, zien flakkeren, hoe zij iederen luchttocht volgt, en toch niet is af te brengen van haar opwaartsche beweging, hoe zij straalt van licht en stroomen warmte uitzendt - voelen we dan geen diepe verwantschap met datgene in ons wat ook altijd brandt en licht en opwaarts streeft, hoe dikwijls het ook door tegenstrijdige krachten wordt onderdrukt? En als we zien, hoe de vlam haar heele omgeving doet leven, bezielt, opklaart; hoe ze aanstonds tot levend middelpunt wordt van alles, waar zij ook brandt is dat niet een beeld van het geheimzinnig Licht in ons, dat in deze wereld gezonden is om er alles te verlichten en er zijn woonplaats te vestigen? Ja, zoo is het. De vlam brandt als een beeld van ons innerlijk, als een beeld van het streven, het licht en de sterkte van den geest. Waar wij de vlam aantreffen, voelen wij hoe uit haar flikkeren en lichten iets levends tot ons spreekt. En willen we ons leven tot uitdrukking brengen, ergens ons leven laten spreken, dan steken we daar een vlam aan. Zoo verstaan we ook, hoe ze dáár branden moet, waar we eigenlijk altijd dienden te zijn, voor het altaar. Daar moesten we staan, aanbiddend, waakzaam. met geheel onze levenskracht en de sprankelende sterkte van onze ziel gericht op de geheimnisvolle, heilige tegenwoordigheid. God bij ons en wij bij Hem. Zoo moest het zijn. Dat belijden wij door daar het beeld en de uitdrukking van ons leven, de vlam, te ontsteken. De vlam daar in de godslamp - hebt gij er reeds aan gedacht? - dat zijt gij! Zij vertegenwoordigt uw ziel. Vertegenwoordigt uw ziel.. . moet haar althans vertegenwoordigen! Op zich genomen zegt het aardsche licht God natuurlijk niets. Gij moet het tot uitdrukking maken van uw op God gericht leven. Daar, waar God ons het meest nabij is, moet werkelijk de plaats zijn. waar uw ziel brandt en volop leeft. geheel en al vlam, geheel en al licht voor Hem. Werkelijk thuis moet ze daar zijn, opdat de stille vlam in de lamp waarlijk de uitdrukking zij van uw innerlijk wezen. Handel naar die opvatting. Het gaat niet gemakkelijk. Maar begrijpt ge het, dan moogt gij na zulke oogenblikken van klare stilte opnieuw rustig onder de menschen gaan. Dan blijft de vlam achter op de plaats, waar God tegenwoordig is, en gij kunt tot God zeggen: “Heer, dat is mijn ziel. Die is altijd bij U.”
AAN DEN RAND VAN HET BOSCH staat een ridderspoor. Zijn donkergroene blaren zijn eigenzinnig afgerond, De slanke stengel is buigzaam en krachtig gevormd. De bloesemtros, als uit zware zijde gesneden, schittert als een blauwe edelsteen, zoodat zij heel de lucht om haar heen vervult. En als er nu eens iemand langs kwam en de bloem plukte, maar er dan na korten tijd geen belangstelling meer voor had en haar in het vuur gooide ... Na enkele oogenblikken zou heel de schitterende pracht in een klein hoopje grijze asch veranderd zijn. Wat het vuur hier in enkele oogenblikken heeft gedaan. dat doet de tijd voortdurend met alles wat leeft: met de sierlijke varen, de hooge toorts, den geweldigen, stoeren eik. Hij doet het met den lichten vlinder en met de vlugge zwaluw: met het ranke eekhoorntje en met den zwaren stier. Steeds hetzelfde, of het nu vlugger gaat of langzamer, of het geschiedt tengevolge van een verwonding of van een kwaal. door vuur of honger of iets anders: eens wordt al wat leeft en bloeit tot asch. De krachtige gestalte wordt tot een poover hoopje stof, dat elke wind uiteenstrooit. Lichtende kleuren tot grauwe asch. Het warm kloppende, voelende leven tot schrale, doode aarde; minder dan aarde, tot asch ! Met ons zelf gaat het niet anders. Wat huiveren we, wanneer we in een open graf kijken en naast eenige beenderen 'n handvol grijze asch zien liggen. “Denk eraan, mensch: Stof zijt ge En tot stof keert ge weer!” Asch beteekent vergankelijkheid. Onze vergankelijkheid, niet die van anderen. De onze, de mijne! Van mijn vergaan spreekt ze mij, wanneer de priester bij het begin van den Vasten met de asch van een tak van den vorigen Palmzondag, die eens frisch groen was, me kruisgewijs het voorhoofd tekent: “Memento homo Quia pulvis es Et in pulverem reverteris!” Alles wordt asch. Mijn huis, mijn kleeren. Huisraad en geld: akker, weide en woud. De hond die me begeleidt en het dier in de stal. De hand waarmee ik schrijf, de oogen waarmee ik lees en heel mijn lichaam. De menschen die ik bemind, en de menschen die ik gehaat, en de menschen die ik gevreesd heb. Alles wat me hier op aarde als groot voorkwam, alles wat me klein en verachtelijk leek, alles wordt asch, alles... IK ZAG EEN ENGEL NADEREN, DIE “een gouden wierookvat droeg en voor het altaar trad. En hem werd veel reukwerk gegeven.. . En de geur van het reukwerk steeg door de gebeden der heiligen uit de hand van den engel op tot God”. Zoo lezen we in de geheime Openbaring. Wat nobel en wat schoon is het, als de doorschijnende korrels in het vuur worden gestrooid en uit het schommelende wierookvat de geurige rook opstijgt. Het is als een melodie van beheerschte beweging en geuren. Doelloos en zuiver ah een lied. Een edel verkwisten van kostbaarheden. Gevende, alles opofferende liefde. Zooals bij die gelegenheid, toen de Heer neerzat te Bethanië en Maria kostbare nardusolie aandroeg, en ze goot die uit over Zijn heilige voeten en droogde ze af met haar hoofdhaar, en de geur vervulde het heele huis. Enghartigheid klaagde: “Waartoe die verkwisting?” Maar de Zoon van God zei: “Laat haar begaan, zij doet het als een voorbereiding tot mijn begrafenis”. Hier was het geheim van den dood, van liefde, geur en offer. Zoo is ook de wierook: Een geheim van schoonheid, die geen doel kent, maar ongehinderd opstijgt. Van liefde, die brandt en verbrandt, en zonder bedenken den dood ingaat. En ook hier blijft de enghartigheid staan en vraagt: Waartoe dient dit alles een reukoffer is het, waarvan de Schrift zelf zegt: Het zijn de gebeden der heiligen. De wierook is een zinnebeeld van het gebed, en juist van dat gebed, dat zonder bedoeling is: dat niets verlangt en opstijgt gelijk het Gloria na iederen psalm; dat aanbidt en God wil danken “omdat Hij zoo heerlijk is”. Ongetwijfeld kan zulk een zinnebeeld tot een leeg spel ontaarden. De geurende wierookwolken kunnen ook een zwoele, geheimnisvolle stemming wekken, een oppervlakkig godsdienstig spel, dat alleen tot de zintuigen spreekt. Als dat het geval is, dan heeft het christelijk geweten gelijk, als het protest aantekent en op het gebed “in geest en waarheid” wijst; als het ons vermaant in ons bidden zuiver te zijn en redelijk. Maar er bestaat ook een godsdienstige kleinzieligheid, die voortkomt uit een schraal gemoed, uit een verdroogd hart, zooals het klagelijke woord van Judas van Karioth. De kleinzieligen meten het gebed af naar het geestelijk nut. dat het belooft; een gebed, dat de vrucht is van veel overweging en burgerlijke berekening. Die zoo bidden, weten niets van de koninklijke volheid van het gebed, dat geven wil. Weten niets van diepe aanbidding: niets van de ziel van het gebed. die nimmer naar het waarom en het waartoe vraagt, maar opstijgt, omdat zij liefde is en geur en schoonheid. En hoe meer zij bemint, des te meer is zij ook Offer, en komt haar geur uit verteerend vuur. WJ VERLANGEN NAAR DE VEREENIGING met God, worden hiertoe gedrongen door innerlijke behoefte. Om die vereeniging te bereiken, wijst ons de ziel zelf twee wegen aan. Ze verschillen van elkaar, doch ze monden uit in hetzelfde doel. De eerste weg 'tot vereeniging is de weg van kennis en liefde. Kennen is vereeniging. Door te kennen dringen. wij in de dingen door en nemen ze in ons op. Zij worden ons. eigendom, een stuk van ons eigen leven. Ook alle liefde is vereeniging. Niet alleen een streven ernaar,. zij is zelf reeds vereeniging. In zoover iemand iets bemint, behoort het hem toe. Deze liefde nu is van bijzonderen aard. Men drukt dit wel uit door te zeggen, dat ze “geestelijk” is. Dit woord zegt het echter niet juist: geestelijk is ook een andere liefde, waarvan later sprake zal zijn. Het beteekent dit: Deze liefde brengt geen eenheid in het zijn tot stand. maar slechts vereeniging in beweging: in 't bewustzijn en de bedoeling. Bestaat er iets, dat deze wijze van een-worden tot uitdrukking brengt? Een gelijkenis? Ongetwijfeld, en 'n zeer schoone gelijkenis is het: Licht en gloed. Daar staat de kaars, die brandt met een stralende vlam. Ons oog ziet haar licht, neemt het op, wordt er één mee en laat het nochtans ongehinderd. De vlam blijft wat zij was en het oog ook, en toch ontstaat er een innig een-worden; een vereeniging vol diepen eerbied en zuiverheid zou men het kunnen noemen. Zonder betasten en vermenging, in louter schouwen. Dit Is een treffende gelijkenis van die vereeniging, die zich voltrekt tusschen God en de ziel in de kennis. “God is de waarheid”, zegt de heilige Schrift. Wie de waarheid kent. heeft haar in den geest. God staat in de gedachten van die Hem goed kennen. God leeft in den geest, die Hem denkt als de waarheid. God kennen heet daarom: Zich met Hem verenigen, gelijk het oog zich vereenigt met de vlam door het zien van het licht. Ook vereenigen we ons met de brandende kaars door haar gloed. We voelen die in ons aangezicht, op onze hand. We worden gewaar hoe ze ons verwarmt en doordringt. en toch blijft de vlam onberoerd in zichzelf. Dat is de liefde: Een één-worden met de Godsvlam door den gloed, zonder haar aan te raken. Want God is goed, en bij ieder die het goede bemint, leeft het ook reeds in den geest. Het goede is mijn eigendom, zoodra ik het bemin: en in zoover ik het bemin, behoort het mij toe; en toch raak ik het niet aan. “God is liefde”, heeft de heilige Johannes gezegd, “en wie de liefde heeft, die blijft in God en God In hem”. God kennen en God beminnen is vereeniging met hen. Daarom zal de eeuwige zaligheid een schouwen en een beminnen zijn. En het beteekent geen hongerend voor God blijven staan, maar het diepste een-zijn, vervulling en verzadiging. Wij hebben vroeger reeds gezien. hoe de vlam gelijkenis onzer ziel wordt. Nu erkennen wij in haar ook de gelijkenis van den levenden God, “want God is licht en geen duisternis is in Hem”. Gelijk de vlam licht uitstraalt, zoo straalt God waarheid uit. En de ziel neemt de waarheid in zich op en vereenigt zich daarin met God, juist zooals ons oog het licht ziet en daardoor een wordt met de vlam. En de vlam verspreidt gloed, gelijk God warmende goedheid. Wie echter God bemint, wordt in de goedheid een met Hem, gelijk hand en aangezicht een worden met de vlam, als zij haar warmte voelen. De vlam blijft echter een wezen op zich, onaangeroerd, zuiver en edel. Zooals van God is gezegd, dat Hij “woont in het ongenaakbare licht”. Lichtende, gloeiende vlam - gij beeld van den Levenden God. Nu begrijpen wij beter, dat bij de wijding op Paaschzaterdag de Paaschkaars zinnebeeld wordt van Christus! Als de diaken haar vlam jubelend bezingt als “Lumen Christi” en de lichten in de kerk aan haar worden ontstoken, opdat overal lichte en gloeie het licht en de gloed van den levenden God.
MAAR NOG 'N ANDERE WEG LEIDT tot God. Over dien weg zouden wij niet durven spreken, als het woord van Christus zelf hem niet aanwees, en de liturgie hem niet met zulk een groot vertrouwen beging. Er bestaat niet alleen een vereeniging door schouwen en beminnen, in bewustzijn en bedoeling. Er bestaat ook een vereeniging met God in en door het levende zijn. Niet alleen ons kennen en willen streeft naar Hem, ook ons heele wezen. “Mijn hart en mijn vleesch juicht in den levenden God” zegt de psalm. en wij worden eerst verzadigd, als we ook in wezen en leven met Hem verbonden zijn. Dat beteekent geen kruising van wezen, geen vermenging van leven. Zoo iets aan te nemen zou niet enkel vermetel, maar waanzinnig zijn, want geen schepsel kan zich met het goddelijke vermengen. En toch is er een andere vereeniging dan die van louter kennen en beminnen: de vereeniging van het werkelijke leven. We verlangen ernaar, moeten ernaar verlangen, voor dit verlangen bestaat er een zeer diepzinnige uitdrukking. De heilige Schrift zelf en de liturgie leggen ons die in den mond: mochten wij zoo ons persoonlijk leven een worden met God, als ons lichaam een wordt met spijs en drank. We hongeren, we dorsten naar God. Niet alleen willen we Hem kennen, beminnen. We zouden Hem willen grijpen, vasthouden, bezitten, ja zeggen wij het gerust, we zouden Hem willen eten, drinken, Hem in ons opnemen tot wij geheel en al van Hem verzadigd zijn, bevredigd, vol van Hem. De liturgie van den H. Sacramentsdag zegt met de woorden des Heeren: “De levende Vader heeft Mij gezonden. Gelijk Ik leef door den Vader. zoo leeft hij door Mij, die Mij eet”. Zoo is het, nietwaar? Uit eigen beweging zouden wij zooiets niet durven vragen, zouden wij voor onze vermetelheid terugschrikken. Nu echter God zelf zoo spreekt, zegt ons binnenste: “Zoo moet het zijn”. Nogmaals: Daar kan niets oneerbiedigs mee bedoeld zijn. Niets dat ernaar uitziet, als zouden we de grenzen willen wegvagen die ons van God scheiden. Maar we mogen toegeven aan het heimwee dat Hij zelf in ons heeft gelegd. Mogen ons verheugen om wat zijn overgroote goedheid ons schenkt. Christus spreekt: ..Mijn Vleesch is waarlijk spijs, en mijn Bloed is waarlijk drank ... Wie mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem”. “Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, en Ik leef door den Vader, zoo zal hij. Die Mij eet, het leven hebben door Mij”. Zijn vleesch eten... zijn bloed drinken ... Hem eten... den levenden God in ons opnemen met wat Hij is en heeft ... is dat niet meer dan wij uit onszelf zouden kunnen wenschen? En is het tegelijkertijd niet alles wat ons binnenste wenschen moet? En hoe duidelijk wordt dit geheim in de Eucharistie uitgedrukt door de gedaanten van brood en wijn. Brood is voedsel: Een eerlijk voedsel, dat werkelijk voedt. Krachtig, zoodat men het nooit moede wordt. Het brood is waar. En het is goed; neem het woord in zijn diepe, warme beteekenis. Onder de gedaante van het brood wordt God levend voedsel voor ons. menschen. De H. Ignatius van Antiochië schrijft aan de geloovigen van Ephese: “Wij breken één brood; het moge ons een pand der onsterfelijkheid zijn”. Het is een spijs, die geheel ons wezen voedt met den levenden God en maakt dat wij in Hem zijn, en Hij in ons. Wijn is drank. Of juister: Niet alleen drank die den dorst lescht; dat is water. De wijn doet meer. “Hij verblijdt het menschenhart”. zegt de Schrift. De beteekenis van den wijn ligt niet alleen in het lesschen van den dorst, maar in het feit dat het drank van vreugde is, van volheid, overvloed. “Hoe schoon is mijn beker vol dronkenschap”, zegt de psalm. Begrijpt ge, wat dat zeggen wil? En dat “dronkenschap” hier iets heel anders beteekent dan onmatigheid? Fonkelende schoonheid is de wijn, geur en kracht, die alles wijd maakt en licht. En in de gedaante van wijn geeft Christus ons zijn goddelijk Bloed, als overmaat van goddelijken rijkdom. “Sanguis Christi, inebria me - Bloed van Christus, maak mij dronken”, bidt Ignatius van Loyola, de man met het ridderlijk warm hart. En de H. Agnes spreekt van het Bloed van Christus als van een geheim van liefde en onuitsprekelijke schoonheid: Honing en melk heb ik uit zijn mond gezogen, en zijn Bloed heeft mijn wangen liefelijk gemaakt”, lezen we in de gebeden van haar feest. Christus is voor ons waarlijk voedsel geworden, spijs en drank. We mogen Hem eten en drinken. Brood is trouw en blijvende kracht. Wijn beteekent durf, blijdschap die aardsche maat te boven gaat, geur en schoonheid, onmetelijkheid en grenzelooze zekerheid. Bedwelming van het leven, waarin alle maat van bezitten en wegschenken verloren gaat... VELERLEI KRACHTEN ZIJN ER IN DEN mensch: Door zijn kennis kan hij de dingen rondom hem in zich opnemen, sterren en bergen, zee en stroom, boom en dier en ieder menschelijk wezen, en ze in zijn innerlijke wereld binnen brengen. Hij kan ze beminnen, kan ze ook haten en verstooten; hij kan er zich tegenover stellen, of ze tot zich trekken. De wereld om hem heen kan hij aangrijpen en vormen naar zijn wil. Een veelkleurige golving van vreugde en verlangen, van droefheid en liefde, stilte en beroering gaat door zijn hart. Zijn edelste kracht is echter: Te erkennen dat er iets hoogers bestaat: dit hoogere te vereeren en zich aan den dienst van dat hoogere te binden. De mensch kan God boven zich erkennen, kan Hem aanbidden en zichzelf offeren, “opdat God verheerlijkt worde”. Het offer nu bestaat hierin, dat Gods hoogheid zich in den menschelijken geest ontvouwt: dat de mensch deze hoogheid aanbidt; niet ikzuchtig bij zichzelf blijft, maar buiten zichzelf treedt, zich inspant om de majesteit van God te verheerlijken. De offerkracht rust in het diepste der ziel. In het innigste van den mensch rust die stilte en klaarheid, waaruit het offer tot God opstijgt. Van dit innigste en stilste en sterkste in den mensch is het altaar buiten hem het zichtbare teeken. Het staat in het heiligste deel der kerk, op trappen verheven boven de rest van het kerkruim, dat zelf van het gedoe der menschen daarbuiten is afgescheiden, daarvan afgezonderd als het heiligdom der ziel. Stevig gebouwd op een vasten onderbouw, als de waarachtige wil in den mensch, die God kent en besloten is, zich geheel aan Hem te geven. En op den voet rust het tafelblad, een welbereide plaats, waarop het offer wordt voltrokken. Het altaar staat niet in een hoek, maar h een open ruimte. Niet in het halfdonker, maar zichtbaar voor alle blikken. Zooals ook in het hart het offer moet plaats grijpen. Openlijk voor Gods oog, zonder voorbehoud of bijbedoelingen. Beide behooren tezamen: het altaar buiten en het altaar binnen in den mensch. Het een als het hart der kerk, het ander als het diepst van het menschelijke leven, van den innerlijken tempel, waarvan de tempel daarbuiten met zijn muren en gewelven de uitdrukking en het symbool is.
HET WORDT OVER HET ALTAAR gespreid. Het ligt als corporale, als lichaamsdoek van den Heer, onder kelk en hostie. De priester is erin gekleed, in de albe, het wit gewaad, als hij zijn heilig dienstwerk verricht. Het dekt de tafel des Heeren waaraan het goddelijk Brood wordt uitgereikt. Echt linnen is kostbaar; rein, fijn en vast. Als het daar zoo wit en frisch ligt, moet ik aan een wandeling denken, die ik 's winters eens in het Bosch heb gemaakt. Plotseling kwam ik aan een berghelling, die vol lag van versch gevallen sneeuw, vlekkeloos uitgespreid tusschen de zwarte dennen. Ik durfde er met mijn grove schoenen niet overheen te loopen. Vol eerbied ben ik er omheen gegaan ... . Zoo ligt het linnen voor het Heilige uitgespreid. Voor alles moet het liggen op het altaar, waar het goddelijk Offer word voltrokken. Wij hebben over het altaar gesproken, hoe het als de heiligste plaats in het heiligdom op een verhevenheid staat. Wij hebben overdacht, hoe het uitwendige altaar uit steen een gelijkenis is van het innerlijke altaar in de ziel, Neen, meer dan gelijkenis. Het zichtbare altaar beteekent niet alleen het hart-altaar van onze innerlijke offervaardigheid, maar beide hooren tezamen. Op geheimzinnige wijze zijn ze een. Het eigenlijke altaar, het volmaakte, waarop het offer van Christus wordt gebracht, is de levende eenheid van beide. Daarom maakt het linnen zulk een indruk op ons. We voelen dat er iets in ons binnenste aan moet beantwoorden. We voelen het als een eisch die ons wordt gesteld, een verwijt dat ons wordt gedaan, een verlangen dat ons dwingt. Alleen uit een rein hart komt het echte offer: het linnen nu belichaamt de reinheid, zooals die in ons hart moet zijn, wil het offer God welgevallig worden. En het zegt ons veel over de reinheid. Echt linnen is fijn en edel. Uit een ruw en driest karakter komt nog geen reinheid voort. Reinheid heeft met norschheid niets te maken. Haar kracht is de kracht der fijnheid. Maar kracht heeft zij.Echt linnen is stevig. Geen luchtig spinragweefsel, dat bij elk windje breekt. Zoo is ware reinheid niet ziekelijk. Zij vlucht niet voor het leven, wandelt niet dwepend in onware droomen en hoogmoedige idealen. Ware reinheid heeft de roode wangen van de levensvreugde en het stevige houvast van den dapperen strijd.Het linnen heeft nog een andere beteekenis: Het was niet van meet af aan zoo fijn en rein als het daar ligt. Eerst was het ruw. onooglijk, moest dikwijls gewasschen en gebleekt worden, tot het een geurige frischheid kreeg. Reinheid is er niet van het begin af. Zonder twijfel is zij genade; zeker, er zijn menschen, die haar als geschenk in de ziel dragen, zoodat heel hun wezen de krachtige frischheid heeft van innerlijke wezenszuiverheid. Maar dat zijn uitzonderingen. Wat men gewoonlijk reinheid noemt, is vaak een twijfelachtige zaak en beteekent slechts, dat nog geen storm haar heeft geschokt. Ware reinheid staat niet aan het begin. maar aan het einde. Zij wordt pas verkregen na langen, dapperen arbeid. Linnen ligt op het altaar, wit. fijn en stevig. Het beteekent reinheid, zielenadel en frissche kracht. In de Openbaring van den heiligen Johannes is er ergens sprake van “de groote schaar, die niemand tellen kan, uit alle volkeren, stammen, geslachten en talen. Ze staan voor den troon met witte kleederen aan”, en iemand vraagt: “Wie zijn zij met hun witte kleederen aan en vanwaar zijn ze gekomen!” En men geeft tot antwoord: “Het zijn zij, die uit groote kwelling komen en hun kleederen hebben wit gewasschen in het Bloed van het Lam. Daarom staan ze nu voor Gods troon en dienen Hem dag en nacht”. “Kleed me in een wit gewaad, Heer”, bidt de priester, als hij voor het heilig Offer de albe aantrekt... EENS, HET IS NU REEDS JAREN geleden, heb ik den kelk aanschouwd. Zeker, gezien had ik er reeds veel, maar aanschouwd heb ik hem eerst in de abdij van Beuron, toen de vriendelijke monnik, die de zorg voor de heilige vaten had, mij de schatten van de sacristie liet zien. Hij rustte op een breeden voet, die vast en stevig op den grond stond. Zonder overgang rees daar de schacht uit op, zeer slank; uitdrukking van opwaarts strevende, ingetoomde kracht. Iets hooger dan het midden de scherp gevormde greep;en tenslotte, boven aan de schacht, waar een smalle ring de nobele lijn nog eens samenvatte, ontwikkelde zich een fijn gestileerd bladerwerk. En daarin rustte het hart van den kelk, de halfronde schaal. Wat heb ik toen het heilig geheim goed begrepen. Alsof uit een vast en diep verborgen fundament de dragende schacht oprees, in spanning van ingehouden kracht, en daaruit die gestalte openbloeide, welke slechts een enkele roeping kent: Opnemen en bewaren. O zuiver, heilig geheim, o kelk die in de flonkering van uw gouden schaal den goddelijken drank bergt, het onzegbaar mysterie van het vreeswekkende, zoete Bloed, dat alleen maar vuur, alleen maar liefde is! En ik liet mij verder voeren door mijn gedachten. Neen, het waren nu geen gedachten meer; het was een innerlijk ontdekken, aanschouwen was het. Was dat de wereld niet, die daar voor me stond? De schepping, die tenslotte slechts een enkele bed teekenis heeft? De mensch, met zijn leven, zijn ziel en lichaam, zijn kloppend hart ... Heeft Augustinus het groote woord niet gesproken: Daarin berust het diepste wezen van mijn mensch-zijn, dat ik “in staat ben God te bevatten?” H ET WAS MORGEN, IK WAS DE BERGEN ingetrokken en zag terug op den reeds afgelegden weg. Diep onder me lag het meer en rondom rezen in 't morgenlicht de toppen, grootsch en onbeweeglijk. Hoe zuiver was alles. Hoe puur de ruimte boven me en de boomen met hun nobele vertakkingen. En ik zelf voelde me tot in mijn diepste innerlijk zoo vol sprankelende, blije kracht, dat ik het gevoel kreeg door een onzichtbare, geluidlooze bron te worden voortgestuwd in de klare, eindelooze ruimte. Toen begreep ik, hoe een mensch het hart kan overstroomen, zoodat hij recht staat en zijn gezicht opheft en zijn handen uitspreidt, als een pateen uitspreidt, omhoog tot den oneindig Goede, tot den Vader van het licht, tot God die liefde is, en Hem alles aanbiedt wat rondom hem in overvolle stilte te bloeien en te lichten staat. Als steeg alles van de pateen zijner handen zuiver en vlekkeloos omhoog. Eens heeft Christus gestaan op de mystieke hoogte van zijn reinen geest, en heeft zijn liefde, zijn ademend leven als een offer zonder eenig voorbehoud aan den Vader aangeboden. Op die hoogte, waarvan de berg Moria, waarop Abraham zijn offer voltrok, de eerste trede was. En voordien de plaats, waar Melchisedech, de koninklijke priester, zijn vredeoffer bracht. En ook die plaats, waar in den oertijd het smettelooze offer van Abel recht ten hemel steeg. Nog altijd rijst deze hoogte omhoog. nog altijd is de goddelijke hand uitgestrekt en heft de offergave, wanneer de priester niet de priester; hij, de mensch, is slechts een nietig werktuig - aan het altaar staat en de pateen. waarop het witte brood rust, in zijn uitgespreide handen neemt. ..Ontvang, heilige Vader, almachtige, eeuwige God, dit onbevlekt offer, dat ik, Uw onwaardige dienaar, U breng, U, mijn levenden en waarachtigen God, voor al mijn ontelbare zonden en beleedigingen, en voor allen die rondom staan, opdat het mij en hun tot heil strekke en tot eeuwig leven".
ZEGENEN KAN ALLEEN HIJ, DIE macht bezit. Zegenen kan alleen hij, die kan scheppen. Zegenen kan God alleen. Zegenend ziet God zijn schepsel aan. Hij roept het bij zijn naam. Zijn almachtige liefde richt zich tot het hart van het schepsel, tot de kern van zijn wezen, en uit Gods hand stroomt de kracht die vruchtbaar maakt. die doet groeien, die heelt en geneest: “Ik zal u aanzien en vruchtbaar maken”. Alleen God kan zegenen. Want zegenen is: beschikken over datgene wat leeft in het heelal en al wat invloed op dat leven heeft. Zegenen is een machtwoord van den Heer van de schepping; de belofte van den Meester der voorzienigheid. Zegen is het goede noodlot. Nietzsche predikte opstand, toen hij zei: “Van biddenden moeten wij zegenenden worden”. Hij wist wat hij daarmee bedoelde. Alleen God kan zegenen, want Hij is de Meester van het leven. Wij echter zijn naar ons diepste wezen schepselen die alleen kunnen vragen. Het tegendeel van den zegen is de vloek. Deze beteekent een doodsoordeel, onontkoombaar onheil. Ook hij richt zich tot een aangezicht, een hart. Hij is een bevel des Heeren, die de bronnen van het leven sluit. Maar aan deze macht van te zegenen en te vervloeken heeft God aan allen deel gegeven, die geroepen zijn om leven voort te brengen: Aan de ouders - “de zegen des vaders bouwt de huizen der kinderen” - en aan den priester. Zij moeten leven voortbrengen, het leven der natuur en dat der genade. Daartoe zijn zij aangesteld door hun wezen en hun ambt. Ook iemand die geheel zuiver is, kan de macht verkrijgen om te zegenen; als hij niet langer zichzelf zoekt. maar geheel de dienaar van de levenden wil zijn. Maar altijd blijft het een macht van God. Zij wordt krachteloos, als iemand zou beweren haar uit zichzelf te bezitten. Naar ons wezen zijn wij vragenden. Tot zegenenden worden we slechts door Gods genade - evenals we ook door Gods genade alleen recht hebben om werkelijk te bevelen. Zooals het bij de macht tot zegening is, zoo is het ook bij die tot vervloeking: “De vloek van de moeder breekt ze af tot den grond”, de “huizen”, het leven, het heil. Wat in de natuur is voorafgebeeld, vindt zijn vervulling in de genade. Want het diepste beginsel dat in deze zegen werkzaam is en hem bevrucht, in den echten zegen, in den waarachtigen, waarvan al het natuurlijke slechts een gelijkenis vormt, dat is Gods eigen leven. God zegent met Zichzelf. Zichzelf schenkt Hij daarbij weg. Gods zegen is verwekking tot goddelijk leven; tot “deelneming aan de goddelijke natuur”. Dat is echter de genade, het zuivere geschenk dat ons in Christus gegeven werd. Daarom wordt de zegen, waarin God zich aan ons schenkt. ons dikwijls gegeven door het kruisteeken. De kracht om den goddelijken zegen mede te deelen, heeft God aan hen verleend, die Zijn plaats bekleeden. Vader en moeder verkrijgen haar door het geheim van het christelijk huwelijk. De priester verkrijgt haar door het geheim van zijn wijding. Door het geheim van den doop en door het koninklijk priesterschap van het vormsel wordt zij aan hem gegeven, “die God uit geheel zijn hart en uit al zijn krachten liefheeft. en zijn naaste als zichzelf”. Aan hen allen heeft God de macht gegeven om te zegenen met zijn eigen leven - aan ieder op een verschillende wijze, volgens de wijze van zijn zending. De zegen wordt uitgedrukt in een handgebaar. Bij vormsel en priesterwijding rust de hand op het hoofd. opdat door haar wordt medegedeeld wat van boven komt, wat zijn oorsprong vindt in Gods geest. De hand maakt het kruisteeken op het voorhoofd of over het geheele lichaam, opdat daarin Gods overvloed zou neerdalen. Want de hand is het lichaamsdeel dat uitdeelt; zij is het die voortbrengt, die vorm geeft en kan wegschenken. De meest verheven zegen is die, welke gegeven wordt met het Allerheiligste zelf, met het Lichaam van Christus in het Sacrament des Altaars. Maar dit moet met grooten eerbied geschieden, in diep ontzag voor het mysterie. DE NATUURLIJKE RUIMTE HEEFT verschillende afmetingen: de drie afmetingen, welke wij allen kennen. Zij maken, dat een ordelijke ruimte ontstaat, geen chaos. Orde in het naast elkaar, in het boven- en achter-elkaar. Zij zorgen ervoor, dat ons leven zich in vollen rijkdom kan ontwikkelen; dat we uit verschillende onderdeelen werkstukken kunnen opbouwen, dat we den dingen vorm kunnen geven en in onze huizen kunnen wonen. Ook de bovennatuurlijke, heilige ruimte heeft een eigen orde. Deze wordt bepaald vanuit het mysterie. Zoo staat de kerk van het Westen naar het Oosten gebouwd, in de richting van het opgaan van de zon. Haar as volgt de koorde van den zonneboog. Zij moet de eerste stralen opvangen en de laatste. Christus is de zon van de geheiligde wereld. De richting van zijn baan is de linie van de heilige ruimte, van ieder gebouw en iedere gestalte, die gericht is op het eeuwig leven. Als het evangelie gelezen wordt, dan wordt het misboek naar links gedragen, dat is naar de richting van de Noordzijde, want het altaar staaf in de richting van het Oosten. Het heilig woord komt uit het Zuiden en gaat naar het Noorden. Dit betekent veel meer dan de geschiedkundige herinnering dat de blijde boodschap eens vanuit de omgeving der Middellandsche Zee tot ons is gekomen. Het Zuiden is de volheid van het licht, het zinnebeeld van bovennatuurlijken luister. Het Noorden is het symbool van koude en duisternis. Uit het licht komt het Woord Gods: Hij die het licht der wereld is en doordringt in de duisternis, of deze Hem wil ontvangen. Een derde richting is die van boven naar beneden. Als de priester de offergaven toebereidt. heft hij pateen en kelk omhoog. Want God is daarboven, “de Heilige in den hooge”. En als de bisschop of de priester bij de wijding den zegen geven, dan laten zij hun handen neerdalen op het hoofd van die voor hen knielt, of op de dingen die voor hen zijn neergelegd. Want alle schepsel is “beneden” en de zegen komt van den Allerhoogste daarboven. Dat is de derde richting van de heilige ruimte. De richting van de ziel: Van het verlangen, het gebed en het offer. De richting van God: Van de genade, de vervulling. het sacrament. Zoo gaan de richtingen van de heilige ruimte: Naar het aangezicht van de opgaande zon, en deze is Christus. Haar tegemoet gaat de blik van den geloovige: van haar vandaan priemt de straal van Gods licht in onze ziel. Het is de groote oosting van de ziel en de nederdaling Gods. De richting van Noord naar Zuid, waarin de duisternis opziet naar het licht, dat straalt in het goddelijk woord. En dat komt voort uit het brandend hart, om te verlichten en te verwarmen. En die van onder naar boven: De drang van de ziel in verlangen, gebed en offer, vanuit de diepte tot den troon van den allerhoogsten God. Het antwoord wordt haar gegeven in de vervulling, welke in de genade tot ons komt, in zegen en sacrament. HET RUIM DER KERK SPREEKT VAN God. Het behoort den Heer toe, is geheel en al vervuld van zijn heilige tegenwoordigheid. Het is Gods Huis, afgescheiden van de wereld, afgesloten door muren en gewelven. Deze ruimte staat naar binnen gekeerd, in het verborgene. Zij spreekt van Gods geheimenis. En de ruimte buiten? De wijde onafzienbaarheid over de vlakten, die naar alle kanten eindeloos zich uitstrekt? Die boven tot in het oneindige omhoog spant? Die in de dalen, diep verzonken, gevangen wordt gehouden door de bergen? Is die niet met het heiligdom verbonden? O zeker! Uit het huis van God rijst de toren in de vrije lucht op en neemt haar als het ware voor God in bezit. In den toren hangen de Mokken, zwaar van brons. Zij schommelen om de as en zenden klank na klank door de ruimte. Golven van welluidendheid; helle en vlugge, of zwaar-sonore, of diepe, langzaam dreunende. Ze beieren uit, doorstroomen de ruimte en vullen haar met de boodschap van het heiligdom. De boodschap der ruimte; de boodschap van God zonder grens of einde; de boodschap van het vurig heimwee en van de eeuwige vervulling. Den “mensch van vurig verlangen” roepen ze, wiens hart voor de groote ruimte openstaat. Ja, als we de klokken hooren, dan voelen we de ruimte. Als zij uit den toren over de vlakten klinken naar alle zijden. tot in de eindelooze verte, dan trekt het verlangen mee de verte in, tot het bewust wordt, dat de vervulling niet aan de blauw vervagende randen der vlakte ligt, maar midden erin. Als van de kerk op den berg het klokgelui in het dal valt, of opstijgt in de blauwe hoogte, dan ademen wij ruimer en voelen, dat ons hart meer plaats biedt dan we dachten. Of het klokgelui komt van ver in het bosch door de schemerende groene stilte. men weet niet waarvandaan, ver, ver... Dan wordt er iets wakker in ons. Wat lang vergeten werd leeft weer op, zoodat men stilstaat en luistert, en denkt: “Wat is dat toch? ... wat? ...” Dan voelt men de ruimte. Het is alsof de ziel grooter wordt, zich ontspant en antwoordt op den verren roep der oneindigheid. .,De wereld is zoo wijd!” - zeggen de klokken. “Zoo vol vurig verlangen ... God roept ... In Hem alleen is vrede ...” O Heer, wijder dan de wereld is mijn ziel. Dieper dan alle dalen haar verlangen. En haar verlangen smartelijker dan ver verloren klokgelui. Gij alleen, Heer, kunt ze verzadigen, Gij alleen...
IEDER UUR VAN DEN DAG HEEFT ZIJN karakter. Maar drie deelen van den dag hebben voor ons een heel bijzondere beteekenis: De morgen, de avond en, tusschen beide in, het middaguur. En alle drie zijn ze geheiligd. Boven alle andere deelen van den dag spreekt ons de morgen bijzonder sterk aan. Hij is een begin. Iederen morgen opnieuw hernieuwt zich het geheim der geboorte. Wij komen uit den slaap waarin ons leven zich verjongde, en voelen duidelijk: ..Ik leef! Ik besta!” En dit doorleefde zijn wordt tot gebed. Het keert zich tot Hem van wien het komt: “God, Gij hebt mij geschapen. Ik dank U. dat ik leef. Ik dank U voor alles wat ik heb en ben”. En het nieuwe leven voelt zijn kracht en dringt tot daden. Zoo keert het zich tot den komenden dag en zijn nieuwe taak. En het bidt: “Heer, in uw Naam begin ik den dag. Hij zal een werk zijn voor U!” Dat is het heilig uur van den morgen. Het leven ontwaakt. Vanuit het diepst van zijn wezen brengt het God den zuiveren dank van het schepsel. Het richt zijn krachten op nieuwen arbeid en begint zijn dagtaak in de sterkte Gods. Ziet ge, hoeveel van het eerste oogenblik van den dag afhangt? Het is zijn begin, Men kan hem ook zonder aanvang beginnen, zich hem gedachteloos, willoos laten binnenglijden. Maar dan is er ook hoegenaamd geen sprake van een “dag”, maar van een stukje tijd zonder zin en karakter. Een dag is een weg: die eischt een bepaalde richting. Een dag is een werk: dit vordert een uitgesproken wil. Een dag is geheel uw leven. Uw leven is gelijk aan uw dag. En uw leven moet karakter hebben. Een vasten wil en een blij tot God geheven aangezicht, dat alles maakt de morgen. Ook hij heeft zijn geheim: Dat van den dood. De dag is bijna ten einde: de mensch maakt zich gereed om het zwijgen van den slaap in te gaan. De morgen was vol van het krachtgevoel van het hernieuwde leven; 's avonds is het leven moe en zoekt het rust. En door den avond heen klinkt het geheim van den dood. Vaak nemen we het niet waar: dan is ons binnenste nog vervuld van de beelden van het leven om ons heen. in beslag genomen door wenschen en plannen voor den komenden dag. Dikwijls komt het zachtjes bij ons binnen als een ver vermoeden. Maar er komen ook avonden, waaraan we voelen, hoe het leven zich naar de groote duisternis toewendt, ,.waar niemand meer kan werken”. En alles hangt ervan af, of wij het geheim van den dood verstaan. Sterven beteekent niet alleen dat er een leven ten einde loopt. Sterven is de laatste uiting van dit leven; zijn uiterste, alles beslissende daad. Wat in het leven van den enkeling of van een volk gebeurt, is niet klaar of afgedaan. Steeds komt het er weer op aan, wat mensch en volk er verder van maken. Naar gelang de houding die ze tegenover het leven aannemen, brengen ze iets nieuws tot stand uit wat reeds gebeurde, ten goede of ten kwade. Denk eens dat een volk een groot ongeluk is overkomen. Het is gebeurd, maar nog niet afgesloten. Het volk kan wanhopen; het kan echter ook zijn denken opnieuw instellen en opnieuw beginnen. Dan eerst wordt voltooid, wat reeds lang gebeurd was. De diepste beteekenis van den dood is dan ook deze: Hij is het laatste woord dat een mensch tot zijn verleden leven spreekt; het beslissende karakter dat hij eraan geeft. Dan gaat het om de groote beslissing. of de mensch nog eens zijn geheele leven in de hand neemt: Met spijt beseft, wat verkeerd was en zich er diep voor schaamt: voor het goede dat hij deed de eer in dank en ootmoed aan den Heer laat; en alles werpt in de onvoorwaardelijke overgave aan God - ofwel, of de mensch moedeloos blijft en het leven laat ontsnappen in een einde zonder waarde en zonder kracht: dat echter is geen einde; het leven houdt alleen maar op. Het krijgt geen vorm en karakter. Dat is de hooge kunst van het sterven: De kunst, het verleden leven te maken tot een eenig ja voor God. Elke avond moet een oefening zijn in deze hooge kunst, het leken een werkelijk slot te geven, dat aan geheel het verleden eerst een afdoende waarde en een eeuwig karakter verleent. Het avonduur is het uur van de voleinding. We staan voor God, met het vooruitzicht dat wij eens ter laatste verantwoording voor Hem zullen staan van aangezicht tot aangezicht. We voelen wat het zeggen wil: ,.Het is geschied.” Het goede; het kwade; verloren en verkwist. We richtten ons tot God, tot Hem “voor Wien alles leeft”, het verledene gelijk het toekomende, en die zelfs wat verloren ging aan den berouwhebbende kan terugschenken. En voor Hem geven we aan den verleden dag zijn beslissend karakter. Het berouw beseft wat er verkeerd in was, en geeft aan het denken een nieuwe richting: als er iets goeds geschiedde, rekent nederige, oprechte dankbaarheid met onze ijdele tevredenheid af. En al het onzekere, al het ontoereikende, armoede en verwarring gaan in onvoorwaardelijk vertrouwen onder in Gods almachtige Liefde. ‘s Morgens begint het leven. Het stijgt: eerst vlug, en blij; dan komen er moeilijkheden, het opstijgen wordt trager. Eindelijk bereikt het de middaghoogte en rust een poos. En weldra neemt het af. Meer en meer vermoeid daalt het, vlugger en vlugger, tot het 's avonds de stilte van den nacht ingaat. Tusschen het beginnen en het ondergaan echter, op de scheidingshoogte van den dag, ademt een kort, wonder oogenblik: Het middaguur. Dan schouwt het leven niet langer in de toekomst, want het stijgt niet meer op. De teruggang is nog niet begonnen, dus kijkt het nog niet in het verleden terug. Het blijft een wijle staan, maar nog onvermoeid; dit staan is nog vol veerkracht. Het staat louter in het tegenwoordige. En zijn blik gaat in de verte - niet de verte van tijd of ruimte: Zijn blik schouwt in de eeuwigheid. Wat verheven is het oogenblik van den middag! In de stad waar alles in lawaai ondergaat. waar zwijgen noch rust is. merkt ge hem niet op. Maar wandel eens tusschen de korenvelden, of op de stille hei, als de zon blakert en de vlakte gloeit - dan wordt u alles duidelijk! Gij staat en alle tijd zinkt rond u weg. De eeuwigheid kijkt u aan. Uit alle tijden van den dag spreekt de eeuwigheid, maar van den middag is zij de buur. Daar talmt de tijd en ontvouwt zijn wezen. De middag kent slechts een “hebben”, de volheid van den dag. Volheid van den dag ... Nabijheid van de eeuwigheid ... Wachten en bereid zijn ... In de verte klept de klok den .,Engel des Heeren” ... In den zwijgenden middag spreekt zij het verlossende woord: “In het begin was het Woord, en het Woord was bij God. en het Woord was God ...” “De Engel des Heeren heeft aan Maria geboodschapt. En zij heeft ontvangen van den heiligen Geest - Maria sprak: Zie de dienstmaagd des Heeren, Mij geschiede naar Uw woord - En het woord is vleesch geworden, En het heeft onder ons gewoond”. Eens kwam 't middaguur van den dag der menschheid, de “volheid van den tijd”. En een mensch was er in wien deze volheid rijp stond en wachtte: Maria. Zij haastte zich niet: zij keek niet vooruit noch achteruit. De volheid van den tijd stond in haar open voor de eeuwigheid, en wachtte. En de Eeuwigheid nijgde, de boodschap kwam. en het eeuwige Woord werd Vleesch in haar reinen schoot. De klok zegt ons dit geheim gedurende onzen dag. Steeds leeft in het middaguur van den christelijken dag opnieuw het geheim van den middaq der menschheid. Door alle tijden klinkt de volheid van den tijd. Geheel ons leven moet een buur van de eeuwigheid zijn. Steeds moet in ons die stilte zijn, die voor de eeuwigheid open staat en ernaar luistert. Zoo moeten we tenminste op het gewijde middaguur, bij den “Engel des Heeren”, rusten, beteugelen wat vooruit wil, stilstaan en luisteren naar het geheim, waarbij “het eeuwig Woord, als alles in een diep zwijgen lag, van den koninklijken Troon neerdaalde”; eenmaal in het uitwendig geschiedkundig gebeuren, maar steeds opnieuw in iedere ziel. En hoe diep kan men zich, op dit oogenblik van stilte, één voelen met de anderen daarbuiten. die in dezelfde stilte staan! Welk 'n innig gemeenschapsgevoel kan men op die oogenblikken ervaren, zoo innig, dat het ons ontvalt in groet en zegespreuk ...
WJ MENSCHEN ZIJN GROF geworden. Van vele diepe en teere dingen weten wij niets meer. Het woord is er een van. We meenen, dat het iets uiterlijks is, omdat we zijn innerlijk niet meer gewaar worden. We meenen dat het iets is dat voorbijvliegt, omdat we zijn kracht niet meer ondervinden. Het stoot niet. Het slaat niet, het is alleen een teer samenstel van geluid en klanken. Maar een fijn lichaam voor iets geestelijks is het. Het wezen van een ding en iets uit onze eigen ziel, dat door dit ding wordt opgeroepen, komen tezamen en krijgen uitdrukking in het woord. Dat is te zeggen: Zoo moest het zijn. En zoo was het bij den eersten mensch. In de eerste bladzijden der Heilige Schrift lezen we, dat God den mensch “de dieren heeft voorgesteld” opdat hij hun een naam zou geven. Met zijn klare zintuigen en zijn geestelijke helderziendheid keek de mensch door den uiterlijken vorm in het wezen en sprak dit uit in den naam. Iets in het schepsel vond weerklank in zijn ziel. Er roerde iets in haar, dat tot het wezen van dat schepsel in bijzondere betrekking stond; de mensch immers is samenvatting en eenheid der geheele schepping. En dit tweevoud, het wezen der dingen daarbuiten en het antwoord daarop in den mensch, smolten samen tot een levend geheel, sprak de mensch uit in den naam. Zoo werd in den naam een stuk wereld en een stuk menschenziel verbonden. En toen de mensch den naam uitsprak. werd het werensbeeld van het ding wakker in zijn geest, en wat in zijn eigen ziel daaraan beantwoordde, nam gestalte aan in zijn woord. Zoo was de naam een geheimnisvol teeken, waarin de mensch zich bewust werd van de wereld en van zichzelf. Woorden zijn namen. En spreken is de hooge kunst met de namen der dingen om te gaan, met het wezen der dingen en met het wezen der eigen ziel in hun door God gewilde harmonie. Maar deze innige verhouding tusschen schepping en het eigen ik is niet blijven bestaan. De mensch zondigde, de band is gescheurd. De dingen werden hem vreemd, ja vijandig. Hij schouwde niet meer met zuivere oogen in het wezen, maar bezag ze begeerig, heerschzuchtig en tegelijkertijd met den onzekeren blik van den schuldige. Ze sloten hun wezen voor hem. En ook zijn eigen wezen ontglipte hem, daar hij zich zelfzuchtig in het bezit, wilde stellen van wat hij verloren had. Hij was niet langer meester over zichzelf zooals vroeger. Met zijn onschuld verdween de kennis van zijn eigen wezen. Zij ontging hem, en hij werd onwetend en onmachtig over zichzelf. De woord-naam omsluit hem nu niet meer in de levende eenheid van ding- en menschen~wezen. Nu straalt hem daaruit niet meer de Godsgedachte tegen van de in vrede vereenigde schepping. Slechts een haveloos beeld ziet hij erin. Een wanluidende klank vol duister vermoeden en heimwee treedt hem eruit tegemoet. En als hij eens het woord juist hoort, dan staat hij stil. en hoort toe, en bedenkt zich, en vindt den zin niet meer. Het blijft verward. raadselachtig, en hij voelt smartelijk, dat het paradijs verloren is. Maar zelfs dit is niet gebleven. Wij menschen zijn zoo oppervlakkig geworden, dat we niet eens meer de smart hebben bewaard om de vernielde woorden. Wij hebben de woorden steeds vlugger, steeds oppervlakkiger, uiterlijker, uitgesproken, en steeds minder aan het wezen gedacht, dat het wil uitdrukken. Zijn ze niet als geldstukken, die men van hand tot hand verder geeft? Men weet niet, hoe ze er uitzien en wat er opstaat, alleen hoeveel men er voor krijgen kan? Zoo zijn de woorden haastig van mond tot mond geloopen. Hun innerlijk is stom geworden: het wezen van de dingen spreekt er niet meer uit; de ziel heeft zich in hen niet meer herkend. Het waren nog slechts woord-munten. Ze bedoelden het ding, openbaarden het echter niet. Het waren enkel nog tekens, om anderen te laten weten wat men wilde. Zoo is de taal met haar namen niet langer een beteekenisvol verkeer met het wezen der dingen, geen ontmoeting van ziel en ding; is niet eens meer den drang naar het verloren paradijs, maar een haastig gerinkel van woord-munten, zooals de betaalmachine geldstukken uitgeeft zonder iets van hen te weten Soms echter schrikken we op. Opeens roept zoon woord tot ons, als uit oergronden. Het wezen roept ons toe. Of het woord staat op papier. en uit het zwarte teeken straalt het ons tegen; de “naam” treedt naar voren, het wezen, het antwoord der ziel. Dan voelen we weer het oergebeuren waaruit het woord ontsproten is, waarin de ziel het wezen van het ding ontmoette. Wij voelen de verbazing, den zekeren greep van den geest, waarmee de mensch het wezen van het nieuwe daar vóór hem vastpakte en het in zijn eigen ziel uitdrukte in den vorm van den naam. We schrijden door een ruimte, verzinken in een diepte, en het woord is weer het eerste werk. waartoe God den menschengeest riep. Maar weldra verdwijnt alles weer, en de betaal-machine rinkelt opnieuw...Wellicht wordt ge zoo eens getroffen door den naam “God”. Als we dit alles bedenken, dan begijpen we, dat de geloovigen vak het Oud Verbond Gods naam nimmer uitspraken. In de plaats daarvan zeiden en schreven ze den naam “Heer”. Dit immers was de bijzondere verkiezing van het Joodsche volk: Het heeft onmiddellijker dan andere volkeren Gods werkelijkheid. Gods nabijheid gevoeld. Zijn grootheid. zijn verhevenheid en verschrikking heeft het sterker ondervonden dan andere volkeren. Aan hen had God door Mozes zijn naam geopenbaard: “Die is, is mijn naam.” “Die zijnde”, dat is, die niemand anders noodig heeft, die geheel door zichzelf bestaat, en die alle zijn en alle kracht in zich bevat. De naam Gods was hun een beeld van zijn wezen. Gods wezen straalde hun uit zijn Naam tegen. Hij was hun als God zelf, en ze vreesden zijn Naam, zooals ze eens den Heer zelf hadden gevreesd op den Sinaï. God zelf spreekt immers van zijn Naam als van zijn eigen wezen: .,Mijn Naam zal daar zijn”, zegt hij van den tempel. En in de geheime openbaring belooft hij plechtig aan den getrouwe, dat Hij .,hem maken zal tot zuilen van den tempel Gods”, en Zijn “Naam op hem zal schrijven”. Hij wil hem zegenen en Zichzelf aan hem schenken. Zoo begrijpen we het gebod: “Gij zult den Naam van den Heer, uwen God, niet ijdel gebruiken”. We begrijpen dat de Heiland ons leert bidden: “Geheiligd zij Uw Naam”. En dat wij “in Gods Naam” moeten beginnen, al wat wij doen. Vol geheim is de Naam Gods. Het Wezen van den Oneindige spreekt eruit, het Wezen van Hem, “Die is”, in onmetelijke volmaaktheid van het zijn en oneindige hoogheid. En in dit woord leeft ook het diepste van onze eigen ziel. Ons innigste wezen antwoordt aan God, want het behoort Hem onontkoombaar toe; door Hem en voor Hem geschapen, heeft het geen rust, tot het met Hem vereenigd is. Geen andere beteekenis heeft ons ik, dan dat het in de gemeenschap der liefde met God moet vereenigd worden. Dit alles, geheel onze adel, de ziel van onze ziel, ligt in het woord “God”; mijn oorsprong en mijn doel, het begin en het einde van mijn bestaan, aanbidding en verlangen en berouw, alles. De Naam Gods is goedbeschouwd alles. We zullen hem bidden, dat Hij ons leere “Zijn Naam niet ijdel te gebruiken”, maar te “heiligen”. We zullen Hem bidden dat Zijn Naam in heerlijkheid over ons moge lichten. Hij mag ons nooit worden tot een munt, die van hand tot hand gaat. Oneindig kostbaar moet Hij ons blijven, driemaal heilig. Wij willen den Naam Gods eeren, als Hemzelf. En in dien Naam eeren we ook het heiligdom van onze eigen ziel.
|
|
canandanann 25-12-07
|