|
|
|
D.
S. Ariel: De mystiek van het Jodendom München 1993 INLEIDING Globaal
valt er te onderscheiden tussen twee vormen van mystiek: 1.
unitieve mystiek: een 'communio met God' nastrevend (afhankelijk hoe God
en hoe de mens worden gedefinieerd: als geestelijke kracht of meer lichamelijk
waarbij géén vereniging mogelijk is) 2
theurgische sacramentele mystiek:
een 'beïnvloeding van God' nastrevend (ondanks de vaak als absoluut
voorgestelde scheiding tussen God en mens) via riten en magie. Bijbelse
basis visioenen die beschreven
worden omtrent God zijn te vinden in: De
visioenen van Micha ( Kon 22) God op de hemelse troon Ezechiël
(Ez. 1): Merkava: de troon/hemelwagen van God Jesaja
(Js 6): visioen van God en Amos (Amos 9) idem in de tempel. De
extase-ervaringen: (1 Sam 10, 5 ev; 19, 18-24) Ontwikkeling:
Na de verstoring van de eerste tempel schijnt Israël het geloof aan de
aanwezigheid van Gods-troon in de tempel verloren te hebben; Gods aanwezigheid
(Schechina) keert niet terug in de
tweede tempel. Daarom ziet men God daarna meestal in de hemel (vgl. 2 Kor.
12: de derde hemel van Paulus). Later
verandert de Sinaï-mystiek waarin de zelfopenbaring van God wordt beschreven
in een Tora-Sinaï-mystiek: door studie van de Thora wordt Gods
aanwezigheid present. Deze vorm keert ook terug in het chassidisme. Een
variant van deze Thoramystiek ontstond rond de studie van het visioen van
Ezechiël, Merkava-mystiek, waarbij
nadruk valt op het ontstaan van de schepping: de studie van de schepping (Ma'ase
Bereschit) waarbij een visie op de kosmische hiërarchie verbonden is. Een
poging tot een unitieve mystiek is de Hechalot-mystiek:
waarbij de mens via reiniging en rituelen wil doordringen tot God (via een
hemelvaart) en door de hemelse hallen (hechalot) tot voor God wil treden. De
kloof die hier overwonnen moet worden is er niet een van ruimte maar eerder
van het verschil tussen hemelse reinheid en heiligheid en aardse onreinheid.
Het menselijk lichaam moet transformeren in een hemelse substantie (een
heilig vuurlijf). Dit is ook een vorm van Transfiguratiemystiek. Deze
Hechalot-mystiek hangt ook samen met een bepaalde kijk op de naam van God:
Goddelijke macht is de macht van zijn naam die uitstroomt. God is zijn naam en
zijn naam is Hij. Verschillende activiteiten van God zijn niets anders dan
verschillende namen van God. Het doel van de mysticus wordt nu om de namen
van God te leren kennen. Hij moest dus in staat zijn de gebeden en liederen
met Godsnaam goed te zingen. Maar ook één enkele Hebreeuwse letter gold
reeds als naam van God. De
mystieke vereniging wordt op die wijze eerder een taalkundige liturgische
handeling voor de troon van God. Het lied van de mysticus reikt tot in de
hemel en God openbaart zichzelf in de vorm van de taal en het lied. Men kan
deze vorm van mystiek Onomatologische
liturgische-communio-mystiek noemen. Een
vorm van deze mystiek is tot op heden in de liturgie behouden gebleven m.n. in
het drie maal heilig uit Jes. 6, de Keduscha,
waarbij de biddende op zijn tenen naar voren en naar achteren moeten springen
om op deze wijze de dans van de engelen om Gods-troon te imiteren. Bij het
zingen van de Keduscha opent zich de hemel en verenigen zich aardse en hemelse
liturgie. Naast
de unitieve kant van deze mystiek levert de Onomatische mystiek ook het
instrumentarium aan de Theurgische mystiek, omdat de naam van God ook op aarde gebruikt kan
worden als een instrument om God te imiteren en om in contact met Hem te
treden. Op
basis van deze beschrijving van de namen van God die veel invloed heeft in het
chassidisme ontstaat ook een nieuwe beschrijving van het beeld van de mens,
als beeld Gods. De mens kan door zijn taal God imiteren. Vgl. ook de
werkzaamheden van Ba'al Schem Tov, de meester van de goede naam, die met
behulp van amuletten met daarop de naam van God, mensen helpt. De
rabbijnen die het systeem van de kabbala hebben ontworpen en waarbij de
onderliggende vragen rond de eenheid van God en de veelheid van de schepping,
en de afgrond tussen God en schepping verklaard moeten worden, staan onder
invloed van de Griekse en Arabische filosofie. Zij
geven onderschrijven de (filosofische) vooronderstelling dat er tussen de
eenheid van God en de veelheid van de schepping tussenfasen zijn (Plato: de
tussenfasen van de intelligentie (Nous), de wereldziel en de natuur en
Aristoteles: tien gescheiden intelligenties zonder lichaam). De
chassieden noemen deze laatste tien tussenfasen "de Heerlijkheid van God
("Kavod") en de kabbalisten geven hen de naam: de
tien Sefirot. Na deze tien intelligenties die vaak met de engelen geïdentificeerd
worden volgen de negen hemelsferen. Hun interactie brengt de vier elementen
voort: aarde, water, vuur en lucht, en hun samenstelling leidt weer tot de
aardse bekende wereld. Door
dit samenspel van krachten en hun onderlinge dynamiek te beschrijven dacht men
de kloof tussen eenheid en veelheid, het onbegrensde en het begrensde opgeheven
te hebben. Maar
ook de mens moest opnieuw gedefinieerd worden om het contact met God te kunnen
beschrijven vanuit de mens. Het onderscheid tussen lichaam en ziel/geest
krijgt alle accent. Het lichaam wordt slechts als voertuig, onderdanig aan de
geest opgevat. De mens ontstaat door de vonk van God of zijn engel. De
Ba'al Schem Tov vertegenwoordigt een immanente vorm van mystiek waarbij
veronderstelt wordt dat de goddelijke immanentie in elk ding aanwezig is. Het
goddelijk licht is in de gestalte van de letters uitgegoten in de wereld,
zodat de Hebreeuwse naam van een ding of mens zijn wezen bepaalt. Via het
gebed kan hij contact krijgen met dit goddelijke licht dat ook in zijn ziel
straalt. Andere
opvolgers (Dov Ber, de Maggid o.a.) zien deze goddelijke immanentie enkel als
een verwijzing naar het goddelijke licht; naar die volheid moet de mens zich
toewenden in plaats van het erg zwakke licht in de schepping. In de afkeer van
de concrete dingen vernietigt de mysticus de veelheid van de wereld in het niets van de
godheid, waarin alles een is. Zo wordt de mens ook zelf niets in het
goddelijke niets en een met God, een unitieve-vernietigingsmystiek. De
leerling van de Maggid, Schne'ur Salman huldigen een consequent akosmisme. De
wereld is slechts schijn, er is slechts één zijn, dat van God. Deze
contemplatieve daad "Bittul ha-Jesch", is een vorm van de ontkenning
en vernietiging van het zijnde. De
leer van de tien Sefirot komt met nuanceringen op veel manieren terug bij de
kabbalisten en wordt op verschillende gebieden toegepast. Boven en buiten deze
Sefirot blijft de onherkenbare God bestaan: de oneindige
"En Sof". De
kabbalisten verzetten zich tegen de opvatting dat het concrete handelen minder
belangrijk wordt in dit licht van een intellectueel opgevat verstaan van God.
De concrete vervulling van de geboden naast een spiritueel opgevatte
godsdienst blijft van groot belang. Ook
het menselijk lichaam heeft daarom een pendant in de goddelijke wereld van de
Sefirot: de "Adam Kadmon",
de oermens. Daarmee wordt het lichaam-zielwezen mens weer evenbeeld van God. Door
het doen van de handelingen en de juiste instelling,
"Kawana", krijgen de geboden pas hun vervulling en wordt er
contact gemaakt met de wereld van de Sefirot. Hiermee is een nieuwe vorm van
mystiek ontstaan namelijk de Theosopische-theurgische mystiek of Sacramentele
mystiek. Het
mystieke doel is om de vereniging van de krachten van God te bevorderen en te
verwezenlijken, de "Jichud". Ook wordt deze vereniging seksueel voorgesteld
in de vorm van een huwelijksband. In de theologie van de Sohar wordt deze
mystiek uitgewerkt en zij wordt vaak op een lijn met dé Joodse mystiek
geplaatst. Een
nieuwere variant ontstaat door de kabbala van Luria op het einde van de 16e
eeuw. De daad van zelfopenbaring van God in de tien Sefirot wordt in deze
visie vooraf gegaan door de "Zimzum", de zelfcontractie van God, die alles vervult in
oneindigheid, waardoor binnen het En Sof een concentrische lege ruimte
ontstaat, waarin God (samen met zijn Sefirot) via emanentie de schepping laat
ontstaan. Bij
dit emanentieproces van de wereldfasen ontstaat er een breuk in de vaatwerken
door het uitstromende licht van God. Deze vaatwerken kunnen dit licht niet
verdragen en breken. Het licht van God stroomt terug behalve een deel dat
mee in de diepte valt, samen met de schalen, en dat daar tot de kern van het
rijk van de duisternis en het kwade wordt. De
Emanator onderneemt daarna een nieuwe poging om deze breuk te repareren: deze
nieuwe wereldemanatie heet nu de wereld van het herstel "Olam
Tikkun". Door de daad van de eerste mens Adam zou deze wereld
voleindigd moeten worden. Maar dat mislukt (de zondeval). Deze mislukking
wordt een verdere kosmische breuk genoemd waarbij de eerste mens ook zelf
breekt. Zijn ziel met 613 delen valt uiteen en verstuift in ontelbare kleine
zielenvonken. Dat worden de zielen van Israël en enkele niet-Israëlieten.
Deze zielen moeten nu proberen het werk van Adam te herstellen en tot een goed
einde te voeren. Het terugvoeren van de individuele zielen vindt plaats als
een soort "loutering" van de zielen via de weg van ontelbare
zielentochten (Gilgul), waarbij deze zielen zowel in mensen, dieren en planten
geïncarneerd kunnen zijn. De
mens moet dus bereid zijn en attent om op elk moment deze zielen te ontmoeten
en te bevrijden, ze via de maaltijd tot zich te nemen en ze op een hoger plan
te brengen. De laatste fase in dit proces vindt plaats via de rite en het
gebed. In
dit kader van deze Zielen-vonken-mystiek is de viering van de sabbatmaaltijd erg
belangrijk. De volgorde van de maaltijd, de handelingen, de plek van de etenswaren
etc. krijgen allemaal een sacramentele betekenis. De mysticus is in elke
dagelijkse handeling gericht op de hemel en het verborgen drama van de zielen. Het
verzamelen van deze zielen (Ibbur) verleent de mens een hogere mystieke
kwaliteit die hem tot spirituele en intellectuele prestaties kan brengen. Als
het einddoel wordt bereikt, de vereniging van alle zielen in Adam, die dan het
definitieve Tikkun bewerkstelligt, sterft het boze. De veelheid wordt dan een
weerspiegeling van het En sof van God. DE
JOODSE MYSTIEK VAN DE KABBALA (op
basis van de Sohar- het boek van de glans) Tussen
God en de mens bestaat een afgrond. Maar de mens is in staat om naar God te
reiken via de mystieke ervaring. Deze wordt beschreven als een echte reis, een
opstijgen naar God, of als een innerlijke ervaring. Er zijn ook beschrijvingen
waarin God actief neerdaalt naar de mens toe. God
is verborgen. Maar hij is ook werkzaam aanwezig. De bijbelverhalen vertellen
daarover. Om deze tegenstelling te begrijpen heeft men een nieuw begrip
ingevoerd: de aanwezigheid van God: de Schechina, om Gods optreden voor de mens te beschrijven. Er wordt
dus een onderscheid gemaakt tussen God zelf (die verborgen is) en zijn
Aanwezigheid, zijn zelfopenbaring aan de mensen. De Schechina staat dus voor
de waarneming van God in de wereld, maar laat ook zien dat God een verborgen
dimensie heeft die voor de mens onbereikbaar is. Het
gebed en de studie van de Thora zijn belangrijke middelen om zich van de Aanwezigheid
van God in de wereld bewust te worden en om tot God te kunnen reiken. Zonder
de afgrond teniet te doen is het gebed een poging om over deze afgrond heen te
reiken. Met
de introductie van de Kabbala (= letterlijk dat wat ontvangen wordt -
traditie) ontstaat een nieuwe opvatting over de spiritualiteit, zonder dat
deze nieuw wil zijn. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de verborgen en
de openbare aspecten van God. De openbare aspecten komen in de bijbel ter
sprake. De verborgen spekten niet. In
zijn verborgen Aspecten wordt God En
Sof genoemd (letterlijk zonder einde). Deze naam wordt later de naam van
de verborgen God, de oneindige. En sof is ook geen voorwerp van gebeden want
deze verborgen God heeft volgens de kabbalisten geen relatie met de schepping. Het
persoonlijke aspect van de verborgen God wordt als Esser
Sefirot beschreven, wat wil zeggen, de tien getallen. De kabbalisten
geloven dat En Sof tien aspecten bezit van zijn Zijn. Daarmee verenigt God
twee naturen in zich: het oneindige onkenbare wezen en de tien
identificeerbare, niet oneindige aspecten van zijn Zijn. Het werk Sefer
Ha-Sohar van de Kabbala bezit weinig uitspraken over En Sof, maar veel teksten
over Esser Sefirot. DE
LEER VAN DE SEFIROT Het
begrip Sefirot (letterlijk getallen) komt uit een oude Hebreeuwse tekst die
over getallen en letters handelt, de Sefer Jezira (boek van de
gestaltevorming). Het begrip wordt toegepast op de tien openbare aspecten van
En Sof; ze worden beschouwd als de instrumenten van God waarmee Hij kan
handelen. Sommige
mystici verwijzen ook naar de wortel saper, wat vertellen betekent, waarmee
ze willen aangeven dat deze aspecten iets over God vertellen. Anderen hebben
voorgesteld dat deze uitdrukking ook verwijst naar Saffier, de stralende
edelsteen, omdat de Sefirot als stralende edelstenen onze kennis over God
verlichten. De Sefirot worden tenslotte ook stralen en sferen genoemd. De
Sefirot zijn de bruggen over de afgrond tussen de oneindige God en de eindige
wereld. Zij waarborgen ook de verbinding tussen God en de mens. Zij en niet En
Sof zijn het voorwerp van gebed. De Sefirot zijn de God van de bijbel. Niet En
Sof. De
theorie van de Sefirot is een poging om te verklaren hoe de oneindige God een
relatie kan onderhouden met het eindige als de mens en de wereld. Een
school van de Kabbalisten beschouwt de Sefirot als vaten of instrumenten
waardoor God handelt. Ze worden dan ook als Gods-vaten beschreven. En Sof
heeft in deze visie niets met de Sefirot gemeenschappelijk: (Instrumentalistische
visie) Een
andere school beschouwt de Sefirot als de essentie van God en En Sof en de
Sefirot hebben een gemeenschappelijke natuur. Zij willen vermijden dat de mens
tot de Sefirot bidt in plaats van tot God (als En Sof): (Essentialistische
visie) Een
voorbeeld van de beschrijving van de Sefirot vanuit de instrumentalistische
visie: De eerste drie Sefirot worden in een beschrijving beschouwt als
voortkomend uit En Sof. De eerste Sefira, de oneindige en ongedifferentieerde
wijdte, is de bron voor alle anderen. Daarna wordt de essentie van En Sof in
een rivier geleid, die de grenzeloze wijdte een eerste definitie geeft. Deze
rivier is de tweede Sefira. Vervolgens
mondt dit kanaal uit in een bekken, dat zijn vorm ontvangt door het omringende
land. Dat bekken is de derde Sefira. En al het land om dit bekken zijn de
andere Sefirot. Deze analogie wijst op het feit dat de Sefirot vaten of
kanalen zijn die het oneindige En Sof afgrenzen. Deze beschrijving laat ook
denken aan het scheppingsverhaal. Deze
instrumentalistische voorstelling van En Sof is onpersoonlijk en abstract. En
Sof blijft achter alles verborgen. Alle gebeden tot God gericht hebben
betrekking op de Sefirot. De
leer van de Sefirot als essentie van God is een poging om het begrip van een
persoonlijke God te redden. De kabbalisten vergeleken En Sof en Sefirot met
een kaars: een kaars die veel andere kaarsen kan aansteken zonder zelf aan
licht te verliezen. Een
voorbeeld van de beschrijving van de Sefirot vanuit de essentialistische
visie: De
Sefirot worden door En Sof door de ruimte gestuurd (zoals een sterke zender
uitzendt). Deze gebeurtenis wordt Azilut (emanatie- uitvloeiing - onzichtbare
uitstraling) genoemd. De
Sefirot zijn signalen die zich niet wezenlijk onderscheiden van het eerder
uitgezondene, maar door de afstand zijn ze lichtelijk veranderd ten opzichte
van En Sof in de ontvangst. Het enige onderscheid tussen En Sof en Sefirot
ligt in de ontvanger van de signalen. God is als En Sof, maar vaak wordt Hij
als Sefira waargenomen, en op andere tijden wordt Hij weer anders waargenomen. God
verandert zich nooit, wel de waarneming van de mens. De verschillende fasen in
de waarneming van de mens komen overeen met de Sefirot. In
het essentialistische schema onderscheidt zich elke Sefira van En Sof door de
afstand tot En Sof. Er bestaan tien Sefirot en elk is een emanatie van En Sof.
De eerste is hoger en zuiverder als de tiende. Elk weerspiegelt een ander
aspect van Gods' natuur of essentie. Als het erop lijkt dat Godverschillend
handelt is dit te danken aan een andere Sefira. Zes
namen van de Sefirot zijn ontleend aan bijbelplaatsen: 1Kron 29,11. "Aan
U Heer, behoort de grootheid (Gedula) en de kracht (Gevura), de luister (Tiferet),
de roem (Nezah) en de majesteit (Hod), want aan U, Heer, behoort alles in de
hemel en op aarde. Aan U, Heer, behoort het koningschap (Mamlacha), aan U, die
als hoofd boven alles verheven bent." Drie
andere namen ontvingen de Sefirot om duidelijk te maken dat God puur verstand
is: Kroon (Keter), Wijsheid (Hochma) en Inzicht (Bina). Een laatste naam werd
toegevoegd: Grond (Jessod). Keter
is de eerste Sefira en hoogste die uit En Sof voortkwam. Zij bekroont de
anderen. Zij staat als een scheiding tussen En Sof en de anderen. Zij omgeeft
En Sof en bekroont haar. Omdat elke Sefira voortkomt uit een andere staat
Keter bovenaan. In
schema: Keter
(Kroon) Hochma
(Wijsheid) Bina
(Inzicht) Gedula
(Grootheid) meestal Hessed (Genade) genoemd Gevura
(Kracht) meestal Din (Rechterlijke
macht) genoemd Tiferet
(Luister) Nezah
(Roem en Duur) Hod
(Majesteit) Jessod
(Grond) Malchut
(Koningsmacht) Keter
(Kroon) krijgt in de Kabbala vaak
andere namen: *
Ajin (Niets) omdat het aan gene
zijde van de existentie bestaat en toch de oorzaak van al het bestaande is. *
Hochma penimt (Innerlijke wijsheid)
omdat zij het verborgen potentiaal bevat van de goddelijke wijsheid vóór de
openbaring. *
Mahschawa elohit (goddelijk denken)
omdat uit En Sof het pure verstand ontstaat. Keter
is volgens de meeste opvattingen onkenbaar, behalve in de uitzonderingssituatie
van de zelfopenbaring van God in het "Ehje ascher ehje". Keter
ontvangt het licht van En Sof en spiegelt dat terug, maar daarbij stoot het op
een hindernis (wand-gordijn); deze hindernis laat het gespiegelde licht
terugstromen en schept daarbij de tweede Sefira. Dit proces van stromen en
weerspiegelen schept de Sefirot. Dit proces wordt in diverse varianten
beschreven. Hochma
(Wijsheid) bevat het basisidee voor alle dingen. En Sof en Keter stellen de
goddelijke wil voor, Hochma de totaalsom van alle existentiemogelijkheden. Wat
er ook maar ontstaan kan, het is in Hochma reeds in principe aanwezig. Hochma
bevat de voorstelling van God over de schepping. Hochma wordt opgevat als een
actieve scheppende kracht die vaak met mannelijke kenmerken wordt beschreven
als de "Abba" van de andere Sefirot. Bina
(Inzicht) wordt als vrouwelijk
beschreven en ontvankelijk. Hieruit blijkt een middeleeuwse opvatting over de
geslachten. Vanaf dit punt worden de Sefirot verdeeld in mannelijke en
vrouwelijk krachten. Hessed en Din zijn een emanatie van Hochma en Bina. Ook
zij vertegenwoordigen oertypen van tegengestelde krachten die in de wereld
handelen. Vanuit
Hochma wordt Hessed uitgestraald, dat de macht van grenzeloze liefde en genade
symboliseert. Hessed valt binnen het mannelijke deel. Din
staat voor de strenge macht en de absolute gerechtigheid en komt uit Bina
voort. Din en Hessed worden als tegenstellingen beschreven van elkaar. Hessed
(Genade)/Gedula (Grootheid)
verbeeldt de neiging van God om met zijn emanatie het universum te vullen en
het hangt met de tendens samen om de oneindige essentie van En Sof zonder
einde uit te stralen. Als dat werkelijk zou gebeuren zou de goddelijke
essentie elke hoek van het universum vullen zodat er geen plaats bleef voor
iets anders. Daarom moet God zichzelf in bedwang houden en zichzelf grenzen
stellen. Dat
gebeurt door Din (Rechterlijke
macht)/Gevura (Kracht), de
goddelijke kracht om zijn goedheid te beperken door het doen ophouden van de
emanatie. De kabbalisten beschouwen Din als vrouwelijk omdat Din als streng en
inperkend wordt gezien. Een negatieve ontwikkeling in dit denken is dat de
kabbalisten Din ook gingen verbinden met het demonische en negatieve, de macht
van het boze. Hochma,
Bina, Hessed en Din zijn extremen tegenover elkaar. Daarom hebben de
kabbalisten Tiferet (Luister)
ingevoerd (ook wel Rachamim: barmhartigheid genoemd) om de intellectuele en
morele tegenstellingen in evenwicht te brengen. De
kabbalisten laten zien dat de wereld een plek is van tegenstellingen en zij
geloven dat deze wortelen in de Sefirot. Mannelijk en vrouwelijk hebben
elkaar echter nodig om werkzaam te kunnen zijn net als het goede en het boze.
De inperking van deze tegenstellingen vindt plaats door Tiferet. Zij
symboliseert de grenzeloze liefde van Hessed en de strenge gerechtigheid van
Din. Vaak wordt zij als de mannelijke nakomeling van deze beiden gezien. Zij
is ook het middelpunt van de bovenste en de onderste Sefirot. Daarom
krijgt Tiferet vaak ook de traditionele naam van God "Ha-Kadosch
Baruch hu"("De
Heilige, gezegend zij zijn naam") en wordt daarmee ook voorwerp van veel
gebeden als de nadruk op God ligt als vader en koning. Tiferet staat vaak ook
voor de andere Sefirot, de transcendente God (op de berg Sinai). Nezah
(Roem en Duur) en Hod (Majesteit) worden vaak als middelen beschouwd waarmee God de
wereld beheerst. Zij komen overeen met Hessed en Din en representeren deze.
De goddelijke voorzienigheid of heerschappij wordt beschouwd als Gods emanatie
van zijn essentie op de wereld. Hoe verder deze emanatie van God op de wereld
stroomt deste dunner wordt zij. De emanatie zou kunnen ophouden en de wereld
zou in handen kunnen vallen van de demonische krachten of de chaos, waardoor
de wereld niet zou beantwoorden aan het beeld van God. De Sefirot kunnen
leiding geven aan dit proces opdat de wereld God zijn gunst niet onthoudt.
Nezah en Hod worden beschouwd als een soort filter die de emanatie van Hessed
en Din verder voeren naar beneden. Het zijn een soort kanalen die de
goddelijke essentie van Tiferet naar beneden voeren naar Malchut. Met hen als
middel blijft de wereld behouden door God. Malchut
(Koningsmacht), de laatste Sefirot
wordt ook Schechina (goddelijke aanwezigheid), Attara (diadeem), en Kawod
(Waardigheid) genoemd. Zij is het laatste vat van Gods handelen, waardoor ook
alle andere Sefirot werken. Zij stelt de grens van het werken van God voor,
het eindpunt. Onder haar ligt het begin van het niet goddelijke bereik.
Malchut is daarmee het minst oneindige aspect van de goddelijke werkzaamheid
en daarmee ook de meest toegankelijke dimensie van zijn persoonlijkheid.
Voor de mens is deze Sefira de meest bekende en meest vertrouwde in zijn
gebeden. Het
naar beneden stromen van de goddelijke essentie schept de wereld en geeft de
mensheid materie en voeding. Dankzij de emanatie, via de Sefirot over de
afgrond heen, kan de mens de weg terugvinden naar God. De kennis van dit
proces geeft de mens de sleutel in handen om de afgrond te overbruggen.
Plotinus schreef samenvattend: "alles komt van de Ene en keert naar de Ene terug". Het
geheim van de Sefirot is het geheim om de eenheid met God te bereiken, de unio
mystica. De
Kabbalisten lezen de bijbel dan ook met andere ogen: in de namen van God
blijkt dit reeds - Elohim heeft te maken met Bina en JHWH met Tiferet. Abraham
wordt in verband gebracht met Hessed, Izaak met Din, Jakob met Tefiret en
Jozef met Jessod (Grond). De
Sefirot vormen triaden die aspecten van Gods scheppingsmacht en goedheid
representeren. Keter, Hochma en Bina representeren God als puur verstand,
het denken zelf en het object van dit denken (zijn oneindigheid). Het
is het hoogste symbool van Gods wijsheid en volkomenheid. Hessed,
Din en Tiferet staan voor Gods ethische volkomenheid en zij symboliseren de
morele eigenschappen van God. Nezah,
Hod en Jessod worden beschouwd als middelaars tussen de heerschappij van God
en de goddelijke voorzienigheid en de wereld. De Sefirot worden ook vaak in de
vorm van een menselijk lichaam verbeeldt. In
de Kabbala verandert het concept van de Schechina - ze is niet langer synoniem
met God maar wordt eerder beschouwd als een wezen los van God, zijn dochter.
De Sefirot zijn een soort venster op haar waardoor God kan kijken. Door een
mystieke zoektocht wordt Sechina bereikbaar voor de mysticus. In
de Kabbala wordt ook gespeculeerd tussen een vereniging van Gods Tiferet en
Sechina: mannelijk en vrouwelijk worden verbonden in een heilig huwelijk. Het
wordt een taak van de mysticus om dit huwelijk te bevorderen. De teksten uit
het Hooglied worden in dit licht vaak geïnterpreteerd. Voor
de Kabbalisten hangen alle namen met God samen en drukken zij de natuur van de
dingen uit omdat zij samenhangen met de Sefirot en bij de emanatie ontvouwen
uit de Hochma. Alle namen zijn eigenlijk in deze visie symbolen die in relatie
staan met de Sefirot. Zij hebben eigenlijk geen betekenis maar verwijzen naar
een Sefira. De Thora wordt dan ook opgevat als een codeboek met goddelijke
namen. Een Kabbalist is iemand die deze code probeert te ontsleutelen en de
betekenis van de begrippen probeert terug te volgen naar hun oorsprong. De
Kabbala is een theorie die de oorsprong van de wereld beschrijft als een
opeenvolging van namen of vaten die God bevatten en die Hem ook verbergen. De
Thora is een wegenkaart tot God. De naam van God kan zo worden opgevat: J
(JHWH): Hochma (Wijsheid) H
(JHWH): Bina (Inzicht) W
(JHWH): Tiferet (Luister) H
(JHWH): Malchut (Koningsmacht) JHWH:
Tiferet (Luister) Elohim:
Bina (Inzicht) De
Heilige, gezegend zij zijn Naam: Tiferet (Luister) Adonai:
Malchut (Koningsmacht) DE
TORA Het
proces van openbaring bestaat in de omvorming van gedachten in woorden. Het
woord wordt zelf weer middel om de oorspronkelijke gedachte te begrijpen. De
tekst van de Thora staat in deze opvatting niet ver weg van Gods wijsheid; zij
is eigenlijk een volgend stadium waarin God zijn gedachten verwoordt. De Thora
heet Hochma omdat zij het laatste stadium in de verwerkelijking van Gods
wijsheid voorstelt. Een
andere manier om te begrijpen hoe de goddelijke taal zich ontvouwt is via het
proces van de emanatie. Namen worden opgevat als een soort 'vaten' die
essenties vasthouden of die op existerende objecten gericht zijn. Voor
de Kabbalisten geeft God zichzelf met de emanatie van het vat Hochma zijn
eerste en belangrijkste naam JHWH, de vierlettergrepige. Deze combinatie van
letters, vormt de eerste emanatie van Hochma. Alle andere goddelijke namen
zijn varianten en veranderingen en volgen uit dit tetragrammanon. De Sefirot
worden in dit licht beschouwd als goddelijke namen, als taalkundige vaten die
de namen van God beherbergen als essentie. Omdat
de eerste naam Hochma-JHWH overeenkomt met de Thora die reeds voor de
schepping bestaat is de schriftelijke leer dan ook de uitwerking en uiting van
de goddelijke naam door andere woorden en namen. "De
hele Thora bestaat uit de Naam van God" (Nachmanides). Dat betekent ook
dat de Thora de aardse uitdrukking is van de Sefirot, die de namen van God
zijn en die hem tot middel dienden om de wereld te scheppen. De
Thora bevat twee naturen. Ze is het medium van de goddelijke uiting en ook het
middel waarmee de mysticus terug kan keren tot God. De woorden van de Thora
worden beschouwd als vaten die verwijzen naar de verborgen essenties van de
Sefirot. De relatie van de Sefirot met de woorden van de Thora lijkt op de
relatie tussen lichaam en ziel. De woorden van de Thora zijn de
"lichamen" die de "zielen" van Gods wijsheid herbergen. De
namen en woorden van de Thora zijn uiteindelijk uitdrukkingen van de macht van
God. De mysticus kan van deze macht gebruik proberen te maken om de relatie
tot God te herstellen. De
naam van God JHWH: begint met Jod:
een punt, dat wijst naar het begin door Hochma. Het haakje aan de punt van Jod
betekent Keter en En Sof en verwijst naar deze. De
tweede letter He hangt samen met
Bina. Deze Sefira geeft de vorm aan deze letter, die in Hochma verborgen en
niet-gedifferentieerd is. De
derde letter Waw wordt als een
rechte lijn geschreven en hij heeft de getalswaarde zes: daarmee
symboliseert hij de emanatie van de zes Sefirot van Hochma tot Jessod. De
vierde en laatste letter He verwerkelijkt het totale potentiaal en alle vormen van de Sefirot
onder dit gebied, zoals Bina dat liet zien ten aanzien van Hochma. DE
ZIEL In
de optiek van de mysticus is er geen strikte scheiding tussen hemel en aarde
en komen beiden bij elkaar in de menselijke ziel. De bijbel kent geen
dualistische voorstelling van lichaam en ziel. Een man of vrouw gelden als
levend wezen Nefesch: een mensenleven in het algemeen en het menselijk
karakter in het bijzonder. God
schept de mens uit het stof (Genesis 2) en blaast in zijn neus de levensadem (Nischmat
Chajim). Zo wordt de mens een levend wezen (Nefesch chaja). Ruach
is de adem, de macht die leven geeft. De bijbel maakt geen onderscheid tussen
lichaam (nefesch) en Ruach; de mens bezit zijn natuur. In
de tweede eeuw breekt het inzicht door dat de mens uit twee delen bestaat: een
lichaam en een ziel. De mens bezit twee naturen van verschillende oorsprong,
de hemel en de aarde. De mens staat tussen de engelen en de dieren in deze
optiek. Door
oefening kan de menselijke ziel een grote transcendentie bereiken of door
daden van zijn lichaam het omgekeerde. In de rabbijnse theologie leidt de
reiniging van de ziel door studie, gebed en goede daden naar de hemel. Maar
dit impliceert geen negatieve kijk op het lichamelijke. Onder
invloed van het Griekse denken treden er veranderingen op. Plato beschouwde
de ziel als een essentie die van buiten in het lichaam dringt en het lichaam
kracht geeft. Aristoteles
heeft de ziel als "iets dat naar volkomenheid" streeft gedefinieerd
(entelechie) of als "Ratio" (Logos) van het lichaam beschouwd, die
het lichaam werkelijkheid geeft. De ziel kan niet zonder lichaam bestaan
hoewel ze niet identiek zijn. De
menselijke ziel bevat volgens Aristoteles drie eigenschappen: een
vegetatief vermogen (voedselverschaffing en zelfbehoudsstreven), een
dierlijk vermogen (het verlangen - via de zintuigen - onlust vermijdend) en het
rationele vermogen, (de kracht om te oordelen, zich te herinneren en te
denken). De
Joodse theologen hebben veel van dit Griekse denken overgenomen. De
menselijke ziel bestaat volgens de Joodse mystici uit: Nefesch, Ruach en Neschama.
Nefesch
is de lichamelijke kracht van alle levende wezens, de ziel die leven geeft. Ruach
is de hogere macht die het de mensen mogelijk maakt om zich boven zijn
fysische existentie te verheffen opdat hij religieuze transcendentie bereiken
kan. Zodra
een mens door Thorastudie, contemplatie en een religieuze levenswijze Ruach
verkrijgt, ontvangt hij ook Neschama. De
Sohar schrijft dat Nefesch de opgave heeft om de mens door het volgen van de
religieuze voorschriften te behouden. De
Ruach dient het lichaam op te wekken voor de Thorastudie en hem te leiden in
deze wereld. Als
een mens het verdient ontvangt hij Nefesch (omdat hij de regels volgt), Ruach
(omdat hij de Thora bestudeert) en Neschama (een bijzondere genade). Neschama
ontvangen alleen zij die naast het volgen van de geboden ook een voorbeeldig
leven leiden. Dit is de ziel die het de mens mogelijk maakt om mystieke
inzichten te verkrijgen en zij is de voorwaarde voor elke vorm van mystiek. Neschama
is het mystieke aspect van de mensenziel dat hem met de goddelijke wereld van
de Sefirot verbindt. Nefesch
en Ruach zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden terwijl Neschama in het
karakter van de mens woont, een plek die verheven en onbekend is. Als een mens
"vervulling" nastreeft ontvangt hij hieruit steun en wordt hij een
"heilige" genoemd. Neschama
stamt rechtstreeks uit de hemel, zij komt van God. Zij is als het ware de
goddelijke essentie in de mens. De vereniging van Tiferet en Malchut brengen
het oorspronkelijke prototype van Neschama voort. Anderen zijn van mening dat
Bina ovuleert en zielen laat stromen die Malchut overvloeien. In
de ogen van de Joodse mystiek existeert op deze aarde eerst alles in
goddelijke vorm in een goddelijk rijk. Niets kan existeren los van de Sefirot.
Zoals het lichaam afkomstig is van een vader en een moeder is ook de ziel
afkomstig van een mannelijk en vrouwelijk aspect van God in het rijk van de
Sefirot. De
Neschamot wonen in de "schatkamer van de zielen" (Otzar ha-Neschamot),
die zich in het deel van de hemel bevindt die Arawot wordt genoemd. Mannelijke
en vrouwelijke aspecten zijn hier in harmonie met elkaar. Bij de geboorte gaat
de oorspronkelijke eenheid verloren waardoor de ziel tijdens het leven
voortdurend naar de partner blijft verlangen. De menselijke seksualiteit is in
de ogen van de mystici ook symbool voor de goddelijke seksualiteit. De
zielen bezitten een oneindige wijsheid omdat zij een deel van de Hochma met
zich meedragen. Alle zielen in de schatkamer kennen de hele Thora, maar zij
verliezen deze kennis bij de geboorte. Thoraleren is dus eigenlijk een zich
weer herinneren. De Neschama ontvangt men pas bij het volgen van de Thora.
Volken die dat niet doen ontvangen geen Neschama. Als
de mystici spreken over de mens als evenbeeld van God, menen zij letterlijk
dat de mens een microkosmos en een belichaming van de Sefirot is. Nefesch
wordt met Hessed in relatie gebracht, zij is het vrije geschenk van het leven,
een dierlijke toestand zonder zorgen en gebreken. Ruach
wordt met Din in relatie gebracht, met strengheid omdat dit samenhangt met het
menselijke vermogen om tussen goed en kwaad te onderscheiden. Neschama
wordt met Tiferet in relatie gebracht, niet alleen als evenwicht tussen Hessed
en Din, maar zij verzoent in de mens ook het dierlijke met het geestelijke. De
mens heeft dan een innerlijk evenwicht bereikt, dat symbool staat voor de
harmonie in het Rijk van God. De
mens werd als middel voor Gods zelfvervulling geschapen.
God is een dynamisch wezen, wiens mannelijke en vrouwelijke aspecten
voortdurend in een toestand zijn van eb en vloed. Verenigd en dan weer
gescheiden. De mens als belichaming van de Sefirot, is het resultaat van de
vereniging van het mannelijke en vrouwelijke in God. Deze wedervereniging
bereikt de mens alleen door religieuze handelingen, die God beïnvloeden.
Daarom is de zorg voor de geestelijke krachten in de mens en de vereniging van
het mannelijke en vrouwelijke op aarde voor God onontbeerlijk. Dat leidt
tenslotte tot het geloof, dat de mens voor de wedervereniging van God is
geschapen. Religieuze
handelingen bewerkstelligen een opstijgen van de ziel. Krachten worden in de
wereld vrijgemaakt die invloed uitoefenen op de Sefirot. Sefirot en mens beïnvloeden
elkaar wederzijds. Degene die Neschama verwerft wordt onsterfelijk. De
dood is in dit licht meestal geen tragedie, maar een terugkeer van de ziel
naar haar oorsprong. De ziel kan niet sterven. Dertig
dagen voor de dood treden er bij de mens veranderingen op. als hij snachts
slaapt stijgt zijn ziel naar de hemel om te onderzoeken hoe het leven is na de
dood. Daar wordt de ziel de volgende woning getoond. De mens verliest zijn
macht over de ziel omdat de verbinding zwakker wordt. In
de tijd vlak voor de dood verdwijnt zijn schaduw. In de Joodse mystiek wordt
de schaduw met het astrale lichaam (Zelem)
geïdentificeerd. Dit astraallichaam is een niet-lichamelijke projectie van
het "lichamelijke zelf" van een individu. Zoals de ziel van buiten
komt heeft ook het lichaam een onafhankelijke geestelijke existentie voordat
het een echt lichaam wordt. Voor de geboorte woont dit astraallichaam in de
hemelse schatkamer, het "hemelse paradijs". De
mens wordt met de lichamelijke manifestatie van dit astraallichaam geboren,
dat vaak ook als beeld Gods (Zelem) wordt beschreven. Het astraallichaam
begeleidt de mens zijn hele leven en wordt door de daden als een soort kleed,
dat de ziel naar haar graf begeleidt. Vaak
is het astraallichaam buiten de mens ook zijn beschermengel. De relatie tussen
astraallichaam en fysiek lichaam wordt zwakker als de dood nadert. Het
astraallichaam verlaat het lichaam uiteindelijk. Op
de dag van het sterven volgt voor de ziel en het lichaam samen een rekensom.
De mens wordt door God beoordeeld aan de hand van zijn daden. Op dat moment is
de mens erg kwetsbaar voor boze machten. Ook het beeld van de hel en het vagevuur
komen uit deze context. Voor
zijn dood heeft de mens een visionaire ontmoeting met Adam, de eerste mens.
Deze vraagt hem waarom de mens de wereld verlaat. Op de sterfdag, als de ziel
het lichaam verlaat, is de mens in staat tot extase en mystieke ervaringen. Op
de sterfdag kan hij de Sechina aanschouwen. Op
het moment van sterven ziet de mens ook naaste familieleden en vrienden die
reeds gestorven zijn. Is voor hem een leven na de dood weggelegd, dan groeten
zij vriendelijk; in het andere geval kennen ze hem niet (meer). Als ze zelf
verdoemd zijn roepen ze "o wee". Familieleden begeleiden de ziel om
haar hemel of hel te tonen zodra de mens gestorven is en daar verlaten ze hem. Als
een mens naar zijn graf wordt gedragen ontmoet hij al zijn daden uit zijn
leven. Alle woorden en handelingen hebben een onafhankelijke existentie. Ze
keren terug om hem te vervolgen. Tijdens
de zevendaagse rouwtijd gaat de ziel op en neer tussen graf en woning en ze
treurt met de anderen over haar eigen dode corpus. De
ziel van een gestorvene moet veel beproevingen doorstaan om in de hemel te
komen. Is ze niet waardig, wordt ze als een "steen in een slinger"
heen en weer geworpen en in een ander lichaam weer geboren. De
zielsverhuizing (Gilgul Nefaschot)
heeft veel controverses opgeroepen. Voor de een was het een vorm van straf,
voor de ander een nieuwe kans. De zielsverhuizing geldt alleen voor de Nefesch.
Een gerechte kan terugkeren om geboden te vervullen die nog niet vervuld zijn
in zijn vorige leven. Een mens kan slechts drie maal verhuizen, een gerechte
echter altijd. Het
alternatief voor de zielsverhuizing is de eeuwige verdoemenis (Ge-Hinom of
Gehenom), een vuur dat reinigt en straft, maar dat niet de ziel hoeft te
verstoren. Het
geheim van de ontvangenis (Ibbur) hangt nauw samen met de voorstelling van de
zielsverhuizing. Een ziel kan zich verbinden met een andere ziel in een mens. De
ziel van een familielid of heilige kan de andere ziel zo helpen. De begeleidende
ziel heeft daarbij alle vrijheid om te komen en te gaan. Zij beschermt ook de
ziel van de gastheer/vrouw. Voor een mysticus is de dood van een kind een manier om de zonden van dit kind te verhinderen die het anders zou hebben begaan. Zijn vroege dood is een "vroege oogst". De dood wordt in dit licht beschouwd als een daad van goddelijke genade waardoor het kind meteen de beloning ontvangt na de dood, terwijl het die anders was ontgaan na het leven. Een werk dat de Joodse mystiek van de Kabalah kritisch, helder en inspirerend uiteenzet en dat zeer toegankelijk geschreven is, is het boek van Marc Alain Ouaknin, Mystères de la kabbale, Paris 2000/02 edition assouline www.assouline.com
|
|
canandanann 25-12-07
|