|
|
|
Tien
richtlijnen voor het lezen van de bijbel
Han
Renckens: de bijbel meemaken – omgangsvormen en proefteksten, Kampen 1988
Overzicht
en Structuur 1.
De tekst heeft altijd gelijk 5. Hoofdstrekking: het hoge woord 7. Betekenisverschuiving: dubbele bodem 8. Het eigen leven als voornaamste context 10.Wat staat er in ieder geval?
De
eerste en de laatste mikken meer op een 'houding' dan op een bepaalde
'techniek'. Ze omramen de acht andere, waarvan de eerste vier (2-5) oefenen in
'opmerkzame aandacht', terwijl het tweede viertal (6-9), nu het nederige
graafwerk achter de rug is, 'tekstgevoelige' contactpunten aftast, waardoor pas
het keurig gesorteerde materiaal onder stroom komt te staan en gaat leven. Dit
alles echter met de open 'houding' van de 'leerling' (Jes. 50:4 en 54:13).
Daarom richtlijn 1 en 10. 1. De
tekst heeft altijd gelijk Buiten
de tekst geen enkel heil. Het niet beter willen weten dan de tekst. Hem
onbeperkt krediet geven. Graag willen leren uit het verhaal van deze ander,
benieuwd hoe hij het gered heeft. De tekst is een gegeven. Hij ligt er nu
eenmaal, al een paar duizend jaar, als een stuk gestolde en taal geworden
geloofservaring. Je kunt hem rustig laten liggen, maar als je eraan begint,
heeft hij het woord en op eigen terrein altijd gelijk. De tekst is als een feit
waar je niet omheen kunt en waarmee je moet leren leven. Daar
zit je dan, stil, ontspannen, verlegen soms, aanvankelijk vaak machteloos en des
te machtelozer naarmate de tekst bekender is. Want dan moet hij eerst weer
onbekend worden alsof je hem voor het eerst ziet (de hoogste lof: 'het was net
of u zelf de tekst ook voor het eerst zag'; dan is de manier goed geweest:
voorlopig niets meer doen opmerken dan wat werkelijk te zien en te horen is). Voor
alles dus geduldig kijken en luisteren: de tekst helemaal niet laten spreken.
Hem laten begaan: niet ernaar grijpen, maar gegrepen willen worden. Hem
schoorvoetend betreden als een gewijde ruimte. Door portalen en voorhoven en
ommegangen zich ingetogen en aandachtig laten leiden naar het centrum of naar
hoog - koor en absis, waar het eigenlijke gezegd wil zijn en het hoge woord
eruit komt, de spanning zich oplost en de plek is bereikt waarin het geheel van
de tekst samenvloeit en tot rust komt. In
de tekst klinkt de stem der eeuwen, een stem uit de diepte, de antieke, al het
ondermaanse beïnvloedende 'muziek der sferen'. Soms gaat het niet zonder een
geluiddichte cabine om het ontvangapparaat zuiver in te stellen op de golflengte
van die verre stem en haar nabije echo in eigen ban. Inspiratie, de genade, laat
zich niet organiseren, maar kalme en nuchtere concentratie, met pen en papier
bij de hand, laat zich inoefenen. Beteugel de pientere hersentjes en geef ruimte
aan het middenrif: de ontmoeting tussen mens en tekst wortelt in beider
humuslaag. -
Schrijf de tekst over, niet zo maar, doch in een eigen opmaak, met korte regels
(kolometrie), met alinea's en allerlei onderstrepingen en markeringen. Vergelijk
met andere vertalingen. Daaronder zijn die van de Statenbijbel, Buber-Rosenzweig
en Chouraqui bijzonder waardevol omdat zij zo dicht bij de grondtekst brengen. Zo
mag het komen tot een soort werkvertaling voor eigen gebruik. Liever niet met de
Hebreeuwse of Griekse grondtekst beginnen, want vooral de eerste blokkeert het
in deze fase nagestreefde overzicht; maar wel, als het even kan, ermee eindigen:
wat zij hebben in te brengen, komt dan dubbel en als een verrassing tot zijn
recht. -
Lees de tekst hardop en proef hoe woorden en zinnen in mond en oor liggen. Dat
levert wel eens vondsten op voor de eigen werkvertaling. Ook half fluisterend
kan men zó lezen als gold het de naaste voorbereiding op een publieke
voordracht die strekking en werking wil doen overkomen tot op de achterste rij.
Dan gebeurt spontaan al veel van wat nu verder meer doelbewust ondernomen wordt.
-
Inventarisatie van woordgebruik en taalspel A.
Kwantitatief
herkenbaar: tref - of sleutelwoorden; gelijke stammen tellen mee (woord/dabár
en spreken/dabbér; trouw/emoena en waarheid/emèt uit ement). Let ook op
synoniemen, variaties en contrasttermen. B.
Kwaliteitswoorden, geladen met een lang verleden en veel toekomst:
verbond, beeld Gods, Heerlijkheid (Glorie), in den beginne, vrede, broeder
enzovoort. C.
Tekstgeleders (macrosyntactische signalen) zoals: welnu dan (leidt de
moraal in na een verhaal), en het geschiedde, en zie, hij zei nogmaals en
dergelijke. D.
Op het hier – en - nu toespelende (deiktische) elementen, te
vergelijken met de rol van het 'aanwijzend' voornaamwoord, zoals: jullie hebben
met eigen ogen gezien dat..., het boek van deze wet dat ik jullie vandaag sta te
gebieden... In deze sfeer wordt het tegenwoordig deelwoord graag gebruikt. E.
Termen of uitdrukkingen met een brug - of schakelfunctie: Een geleding
('strofe') eindigt daarmee en de volgende strofe neemt dat tot uitgangspunt en
werkt het nader uit. De klassieke preek schakelde dikwijls de (drie) 'punten' op
die manier aan elkaar. Bijvoorbeeld het werkwoord 'vertrouwen' in Psalm 115.
Vers 8 vormt de afsluiting van een strofe tegen afgodsbeelden: Wie hen maakten,
zullen worden als zij, ieder die op hen 'vertrouwt'. Daarop volgt een
contraststrofe over de ware God: Israël 'vertrouwt' op de Heer. F.
Refreinen of reeksen met variatie of climax: 'goed', meermaals 'goed',
tenslotte 'zeer goed' (Gen. 1). In Jozua 1: 'wees sterk en vat moed' naast
'Alleen, wees sterk en vat moed ten zeerste'; tevens schakeluitdrukking van vers
6 naar vers 7 waar ze bovendien, samen met vers 9, werkt als een omraming van de
alinea over de Tora. -
Inventarisatie van inhoud of thematiek Dit
gebeurt door de onderwerpen en gedachte-eenheden (thema's en 'motieven') af te
bakenen, ook van belang voor de alinea's, en dan daarvoor karakteristieke
benamingen uit te denken. Het blijkt oefening te vergen om vast te stellen:
'deze twee verzen bevatten een stuk verhaal (verwijzen naar dit of dat gegeven
uit de geschiedenis) ter motivering van het volgende vers dat de vorm heeft van
een vermanende conclusie waarin sociale bewogenheid tot uitdrukking komt'. Zulke
benamingen zijn: verhaal (zowel kerugma als credo), aansporing (tot
verbondstrouw), belofte (van verbondszegen), verwijt (van verbondsbreuk),
bedreiging (met verbondsvloek. Van
bijzonder belang zijn onderscheid en samenhang tussen 'hoofdbepaling' of
hoofdgebod (over de verhouding tot de Heer) en 'bijzondere bepalingen' (over de
verhouding tot deze aarde en wat of wie zich daarop bevinden. Beide typen van
geboden of verboden kunnen een positieve of negatieve inhoud hebben: de Heer
kennen, vrezen, liefhebben, dienen enzovoort naast: hem vergeten, krenken,
verlaten, vreemde goden nalopen. Aan
deze hoofdbepaling kan slechts voldaan worden door het in bijzondere bepalingen
(omschreven levensgedrag; positief: wandelen in de wegen of geboden van de Heer,
luisteren naar zijn stem, doen wat recht is in zijn ogen, zijn Naam heiligen
enzovoort; negatief: doen wat de volkeren doen, zijn Naam ontheiligen door
uitbuiting van armen en weerlozen (Deut. 25:18; Ezech. 16:49; Mal. 3:5; het
kontrast in Lev. 18:3-5). Verdere
typeringen kunnen zijn: heilige oorlog, liturgie, rechtsgeding, heiligdomsrecht
en poortrecht (goeddeels samenvallend met sacraal en sociaal), 'levitische
prediking', wijsheid, wetsvroomheid, theologiserende uitleg (Midrasj), vaak
tevens in de vorm van een anekdotisch oorsprongsverhaal dat een ervaringsgegeven
als uitgangspunt neemt (etiologie, afgeleid van het Griekse 'aitios' dat
'oorzaak' betekent), bijvoorbeeld Genesis 2: de verhouding man/vrouw, uit
ondervinding bekend, levert de stof voor het verhaal hoe de Schepper te werk is
gegaan. De
eerste ronde (richtlijn 2-5) moet nu tot een synthese groeien: richtlijn 4 en 5
fixeren twee groeifasen. Het begint met het opmaken van de balans door, op grond
van de tot dusver opgemerkte en gevonden gegevens, te besluiten tot en te kiezen
voor een bepaald tekstverloop. Besluitvorming en keuze komen op gang door
allerlei schema's te ontwerpen waarin het geregistreerde materiaal zich soepel
laat onderbrengen en indelen. Soms
lukt dat meteen en vlekkeloos, maar meestal zijn meer ontwerpen nodig voordat
zich een schema aandient waarbij geen enkel tekstonderdeel uit de boot valt. Wil
dat niet lukken, dan stelle men zich tevreden met een voorlopig resultaat dat
ruimte openlaat voor een zekere dubbelsporigheid van de tekst en dus voor een
andere keuzemogelijkheid, te honoreren met een 'minderheidsschema'. Het
komt er in deze fase op aan, orde te scheppen in het 'netwerk van
terminologische en thematische verbindingslijnen' (vergelijk de knippatronen in
modebladen) om zo oog te krijgen voor het daarin overheersende patroon. Dat
dwingt soms inderdaad tot het onderscheiden van hoofd - en nevenaccenten. Let
nu vooral op omlijstingen of omramingen (inclusie), kruisgewijze verbindingen (chiasme),
woordelijke of inhoudelijke rijmen of contrastrijmen (leven/dood,
waarheid/leugen) en, vaak vergeten, het zowel groot - als kleinschalige
'aanvullend' of beter 'verdelend' parallellisme: de
vloek van moeder ondergraaft de fundamenten, de
zegen van vader stut het dak. (naar Sirach 3:9) 5.
Hoofdstrekking:
het hoge woord Waar
wil de tekst naar toe? Op welke plekken verraadt zich onder het tekstkleed de
aanwezigheid van een dragende spanningsboog? Waar komt het hoge woord eruit? Dit
soort vragen leidt tot het onderkennen van bijbedoelingen, terzijdes en
uitweidingen, tekstfragmenten waarvan een te vermoeden eigen visie (optiek)
dienstbaar is gemaakt aan de uiteindelijke blikrichting van het geheel, dus die
van de 'eindredactie'. Die fragmenten die het vaak heel goed doen, onderbreken
soms de gespierde gang van de tekst, doordat zij talmend verwijlen bij
bijzonderheden of curiositeiten (Gen. 2:10-14). Zo dringen de dingen beter door
en geniet men langer van de spanning (Ex. 24:16-17; 32:15b-16; Joz. 1:3-4). De
groei van het Boek is derhalve zichtbaar in zijn huidige gestalte, is dus een
gegeven waaraan pas recht wordt gedaan als men de synthese als zodanig proeft:
de tekst geeft dan een harmonisch geluid (samenklank) waardoor hij diepgang
krijgt, als het al niet een dubbele bodem is. De tekst wemelt soms van Midrasj -achtige
uitbreidingen, ombuigingen, herinterpretaties, kortom: bewerkingen van de
traditiestof (Ex. 17:14-16; 33:1-6). Blijkbaar
is de tekst, alvorens zijn huidige vaste vorm te bereiken, al door vele handen
gegaan. Nog meer handen zijn te pas gekomen aan het hanteren van de canoniek
geworden tekst. Allicht valt daarvan iets te leren voor wie nu aan de beurt is
met diezelfde tekst om te gaan. Vandaar de vraag: waar en hoe heeft de tekst
zijn werk gedaan? Daar
gegevens uit de nationale periode via profetische en/of joodspriesterlijke
handen de ons bekende vorm kregen, mag men vragen: draagt de tekst sporen van
zijn voorstadia? Verraden zich gezichtspunten die te herleiden zijn tot een
profetisch-sociale of priesterlijk-sacrale bekommernis? Dat is al een
vooroefening op de belangrijke parallelvraag: wat is de nawerking van de tekst
geweest? Dat is vragen: hoe creatief zijn de lezers met de voortaan
onaantastbare teksten omgegaan? Om zich een voorstelling te vormen van het
antwoord, denkt men zich bepaalde verleden situaties in omdat die, hoe dan ook,
de brug moeten slaan naar een eigen en hedendaags verstaan. Wij lezen de Schrift
immers pas goed, indien we uitkomen bij onszelf en de mensen om ons heen. Welk
beroep derhalve (welke Tora) is er van de tekst uitgegaan op het in Kanaän
gevestigde Israël en, daarna, op het Jodendom in Ballingschap en Diaspora? Hoe
deed de tekst het in de Eerste en hoe in de Tweede Tempel? Hoe
in het Nieuwe Testament, bijvoorbeeld in de Hebreeënbrief en in de Apocalyps?
Wat, tenslotte, zijn de lotgevallen van de tekst in de na - bijbelse tijd
(rabbijns, patristisch, scholastiek, gangbare theologie en spiritualiteit)? Dat
hoeft niet allemaal, en zeker niet tegelijk. Een paar indrukken kunnen al helpen
om gevoel te krijgen voor de plooibaarheid, de eindeloze invulbaarheid van de
teksten. Door ze te keren en te wenden, door ze geduldig van alle kanten te
bekloppen, kan het komen tot een 'vertaling' in een reëel -menselijke en
herkenbare inhoud waarvan de tekst het tekenende symbool blijkt te zijn. 7.
Betekenisverschuiving:
dubbele bodem Thema's
en termen zijn ontstaan in de nationale periode waarin zij hun 'Sitz im Leben'
hadden. Welke betekenisverschuiving moet dan het gevolg zijn van een wijziging
in, of het volledig wegvallen van die levende context? Wij hebben de tekst uit
te leggen, niet de gebeurtenissen achter de tekst: het gaat niet om Bijbelse
Geschiedenis maar om Bijbel. De oude, de verhaalde feiten zijn voorbij, maar we
hebben er wel een Boek aan overgehouden. Het
in de nationale periode ontstane spraakgebruik, uit de aard der zaak afgestemd
op het toenmaals voorhandene - dat geldt voor melk en honing, brood en water,
land en stad, paarden en wagens, volk en vrede, evengoed als voor eigennamen als
David en Sion, Jeruzalem en Kanaän, Libanon en Karmel, Amalek en Edom - dit
spraakgebruik werd het eens en voorgoed geschapen taalinstrument waarmee nieuwe
of diepergaande ervaringen onder woorden worden gebracht. Het is de welbekende
'bijbelse taal', zo men wil 'de tale Kanaäns' Ges. 19: 18). Hoor het de
Apocalyps zeggen: de grote stad die 'geestelijk' genaamd wordt Sodom en Egypte
(11:8). Vandaar dat er nog nauwelijks staat wat er (oppervlakkig) staat omdat er
zoveel meer staat. Van boog tot laag in de kerken ligt daar het grote en taaie
misverstand. Het
Boek is, met andere woorden, getreden buiten de historische oevers die de
nationale bedding vormden van de oude traditiestroom. Het ging een eigen en
zelfstandig leven leiden en zo werd het tot een wereld op zich, namelijk een
taalwereld die een en al taal en teken is geworden, een en al 'woord', ook in de
verhalen waarin niemand een woord zegt. Dat woord wil de zin verhelderen van het
feit dat wij er nu zijn, evenals het dat vanouds gedaan beeft voor de generaties
die ons zijn voorgegaan. De
oude gegevens zijn een 'begrip' geworden, een bijbels thema: ze hebben de
overgang doorgemaakt van 'Sitz im Leben' naar 'Sitz in der Bibel'. Zo krijgt
ieder 'huidig' tekstgegeven zijn eigen en nieuwe context, van veel groter belang
dan de vaak moeilijk achterhaalbare nationale, historische, aardrijkskundige,
etnografische en in elk geval voorgoed voorbije context van al die oude
fenomenen die hun benamingen aan de Bijbel hebben afgestaan. Die
nieuwe context is derhalve niet iets van vroeger maar is allereerst de huidige
bijbelse context, te beginnen met het onmiddellijk voorafgaande en volgende
woord (passage, bijbelboek) tot en met de hele Schrift. Deze weer in het geheel
van de joods-christelijke traditie die, op baar beurt, pas goed functioneert
indien zij wordt gehanteerd als een bevoorrechte en verhelderende verzamelplaats
van wat er gaande is binnen de algehele menselijke bestaanservaring. 8.
Het eigen leven als voornaamste context Uit
de twee vorige richtlijnen volgt, dat een tekst pas zijn volle klank geeft,
indien geplaatst in het geheel van de geloofstraditie die hem voorafging en
volgde. Maar deze kan haar werk pas goed doen, indien zij ook zelf wordt
verstaan vanuit haar bloedeigen brede context, namelijk de totaliteit van onze
feitelijke (empirische) gegevens. Zoals
intens doorleefde menselijke situaties - hetzij met voIle teugen genoten, hetzij
moeizaam doorworsteld - bodem en klimaat zijn geweest van de Schrift in haar
ontstaan, zo kan ook een zuiver verstaan van de Schrift slechts op die bodem en
in dat klimaat gedijen. Charismatische
(geloofs -) gevoeligheid voor het feitelijke gegeven leidde, in de Schrift, tot
een eerste verwoording van die taal der feiten. Een zelfde charisma, dus een
zelfde gevoeligheid voor onze gegevens, is de enige gids die een weg kan wijzen
naar een betrouwbare 'verdere vertaling' van het oude bijbelwoord. Dit
samengaan en op elkaar aangewezen zijn, van oude of nieuwe feiten
('geschiedenis') enerzijds en de gelovige duiding daarvan anderzijds, is in de
theologie gangbare munt door het onderscheid dat zij maakt tussen 'woorden
daadopenbaring'. Deze twee zijn de componenten van de ene 'Openbaring': God
openbaart zich in mensengeschiedenis, maar deze openbaring komt pas tot baar
recht, 'werkt' pas, bereikt ons pas echt naarmate mensen, door geloof, hun
lot(-gevallen), dus hun op elkaar aangewezen zijn, hebben leren verstaan als de
goddelijke manier van spreken. Openbaring
geschiedt pas in de voIle zin van het woord wanneer zij open bloeit in het
menselijke antwoord, doordat mensen 'de taal der feiten' verstaan en zich door
'de tekenen des tijds' laten gezeggen. Dan komen de feiten zelf tot hun eigen
volheid en rijgen zij zich aaneen tot een alleen voor mensen bestaanbare
geschiedenis. Deze wordt in de verkondiging (kerugma) en in het geloofsantwoord
daarop (credo) tot een 'woordgebeurtenis', een woord dat geschiedt en niet ledig
terugkeen. Tot
zover het beginsel van deze richtlijn. Het is daarmee wel roeien tegen de stroom
op. Om dan de zaak helder te houden en helderder te krijgen, kunnen de volgende,
deels bekende overwegingen wellicht te pas komen. De
oude feiten zijn in de Schrift zózeer tot woord geworden, dat hun eventuele
'objectiviteit' er nog maar weinig toe doet. Op het schimmige verleden dat
mogelijkerwijs ten grondslag zou liggen aan de bevrijding uit Egypte, aan de
Rode - Zee doortocht of aan het 'Sinaï-
gebeuren', laat zich geen geloofsgemeenschap bouwen. Deze is tot stand gekomen
en leeft verder op grond van 'het grote verhaal' daarover. De
opmerkelijke gebeurtenis is dan ook het feit dat die verhalen konden ontstaan en
zo zijn verteld en doorverteld: het Kerugma is en was en zal altijd de
eigenlijke gebeurtenis zijn, van welk geloofsverhaal dan ook. En dat is geen
feit in de zin van een fait-accompli in het verleden, maar een feit dat zich voltrekt in het hier - en - nu van hen die het verhaal gelovig hanteren als de sleutel van hun eigen bestaan. Want dat is het voornaamste en altijd weer nieuwe feit waarop de Schrift met haar 'oude' feiten mikt. De betrouwbaarheid van de Schrift staat of valt niet met de nauwkeurigheid waarmee zij weergeeft wat in het verleden gebeurd is, maar met de trefzekerheid waarmee zij formuleert wat nog steeds gebeurt. Parallel daarmee, is geloof in de Schrift niet op het verleden maar op het heden gericht: 'Geloof jij in de Schriften?' is een gewetensvraag die een existentiële stellingname inhoudt. De bijbellezer zit derhalve naast de Schrift, wanneer hij in haar verhaal zoekt naar objectiviteit in de zin van 'ooit echt gebeurd'. Al kan dit heel goed het startpunt van en de impuls tot het verhaal geweest zijn, al hoeft dit soort objectiviteit volstrekt niet uitgesloten te worden, men oefene zich die te verstaan als een middel dat de Schrift doorlopend gebruikt, om greep te krijgen op het werkelijke leven van haar publiek. Dat is haar belangrijkste en altijd aanwezige objectiviteit en dat is haar onweerstaanbare historische draagwijdte: 'de Schrift gaat ergens over'. Juist degenen die de Schrift menen te redden door haar zoveel mogelijk te vullen met echt gebeurde en dus vast te geloven dingen, maken baar leeg en monddood ten aanzien van de gewone en dagelijks te leven werkelijkheid: een te massief geloof in de spectaculaire wonderen van het verleden maakt blind voor het verborgen en ware wonder in ieders hier - en - nu, terwijl de Schrift juist daarvoor een open oog wil geven, en wel door middel van haar wonderverbalen: Wat de ogen des geloofs moeten leren zien wordt zo verteld alsof het in het verleden met het blote oog waarneembaar was. Wie dit uit het oog verliest, loopt gevaar stenen voor brood te verkopen door aan onze bereidheid tot geloven een verkeerd object te geven. Dan ontstaat een goeddeels overbodig geloof. Zeg niet: laat nu maar zo. Want die geloofsballast garandeert allerminst dat iemand als een echte gelovige door het leven gaat. Overbelast en overvraagd, komt hij te weinig toe aan geloof in datgene waarom het allemaal begonnen is. Wie dat eenmaal in het vizier heeft, kan inhoud geven aan de theoretisch algemeen aanvaarde stelling: de Schrift - de in haar voor het eerst gestolde, maar ook de zich vanuit baar voortplantende en dus verder groeiende geloofstraditie - beeft de verhelderende 'woordfunctie' ten aanzien van de uiteraard 'stomme' feiten, hoe welsprekend die overigens ook mogen zijn. Daarom zit onze bijbellezing pas in het goede spoor wanneer zij brengt tot geloof, dat is tot deze heilige overtuiging: Rustig nadenken over het overigens aarzelende schriftgegeven dat God de Tien Woorden, hoewel goeddeels 'natuurwet' en algemeen-oosters erfgoed, zelf heeft uitgesproken en met eigen vinger op de stenen tafels heeft geschreven, kan de ogen openen zowel voor de diepe zin van dit gegeven als voor de waanzin die men daarvan maken kan. Openbaring geschiedt derhalve pas volledig waar een levende verbinding ontstaat tussen Schrift (geloofstraditie) en een gewetensvolle omgang met de ons toegankelijke werkelijkheid. Kortom, de Schrift blijft een dode letter, als zij niet door mensen geleefd wordt. 9. Terug naar de totaal - indrukTeruggrijpend op de tweede richtlijn, naproeven hoe elk tekstgegeven, hoe gering ook, het zijne bijdraagt tot de zeggingskracht van het geheel, en hoe het geheel volledig present is in elk onderdeel. Dit is goed voelbaar waar de tekst, in een steeds tragere beweging, uitvloeit in een paar zinnen waarin de voornaamste trefwoorden elkaar vinden. De tekstdelen blijken elkaar toe te lichten, aan te vullen, op te laden, ja, zij laten zich in elkaar schuiven, zij dekken elkaar, zij worden elkanders equivalent, tot omwisselbaarheid toe: de broeders helpen = heel de wet vervullen (Joz. 1); de Heer liefhebben = zijn geboden bewaren = de vreemdeling liefhebben = hem brood en kleding geven (Deut. 10). Vergelijk de eerste richtlijn. Zelfs een tekst met allerlei raadselachtige 'oppervlakteverschijnselen' kan suggestief zijn en niet mis te verstaan. Het 'Emmanuelboek' van Jesaja (7-12) heeft een eindeloos omstreden verpakking en rijst, voor onbevangen ogen, toch op als een indrukwekkend en monumentaal complex waarin het goed dwalen is. Een jaarlijkse zwerftocht (Advent) zou telkens verrassingen opleveren. Het rijkste apparaat is nog geen waarborg, en het armzaligste nog geen hindernis, voor een zuiver opmerken en ordenen. (Kornelis Heiko Miskotte) Het komt erop aan, ook in het boven geschetste lees - en leerproces, steeds voeling te houden met, en terug te keren tot de door de tekst opgeroepen primaire ervaring. Die eerste, nog naïeve ontroering moet de levensruimte zijn waarbinnen de exegese zich beweegt als in een natuurgebied waar altijd frisse lucht te halen is. Dat is 'oog in oog blijven staan met de tekst' om gewaar te worden dat niet alleen ik kijk naar de tekst, maar dat de tekst ook kijkt naar mij. Studieuze aandacht en het steekproefsgewijs raadplegen van auteurs zijn dan hulpmiddelen om, wat een nog vage maar grote vermoedens wekkende indruk was, te verhelderen en te verdiepen en door gevarieerde formuleringen tot een bewust bezit te laten worden. De eigen tekstervaring wordt dan hanteerbaar en mededeelbaar. Ze begint wegen te vinden en benaderende 'vertalingen' te wagen waardoor ook andermans nog vormeloze ervaring vastere contouren krijgt, zodat hij, door de herkenning verrast, op zijn beurt zeggen kan: 'ik heb dit alles reeds geweten, toen ik nog niets wist'. Een goed teken: de humuslaag is geraakt.
|
|
canandanann 25-12-07
|