bidden
Start Omhoog

 

                

Bidden Siach Jitschak – gebed van Jitschak - Vertaald door I. Dasberg A’dam 1986 (Ned. Israël. Kerkgenootschap)

Inleiding door D. Hausdorff

Een arme man kwam eens bij een Chassidiem-rebbe en klaagde hem bitter zijn nood. 'Bid tot God', sprak de rebbe, 'Hij zal je zeker verhoren'. '. Maar ik kan niet bidden', zei de arme man. 'Ach', sprak de rebbe vol medelijden, 'dan ben je wel erg arm'.

Tefilla is meer dan gebed

Tefilla vertalen we met gebed. Maar gebed is bidden, vragen, smeken. En tefilla omat veel meer. Reeds bij een eerste kennismaking met de tefilla blijkt, dat 'vragen' slechts een klein gedeelte van onze dagelijkse tefilla vormt. Wat is tefilla dan wel? En wat is de bedoeling van de tefilla? De tefilla is een complex van stukken uit de tora, van psalmen, van stukken proza en poëzie uit alle tijden, van dankzeggingen, van gebeden, van filosofische overpeinzingen. En de bedoeling van de tefilla is ons los te maken uit de sleur van bet dagelijks leven, ons te laten bezinnen op onze levenstaak, ons onze verantwoordelijkheid voor ons doen en laten te doen beseffen en ons voor ogen te stellen wat God van ons verwacht. Tefilla is op geregelde tijden, iedere dag, in relatie met God treden, contact met God voelen. Tefilla is gesprek met God. Maar een gesprek, waar voornamelijk God spreekt en wij luisteren, luisteren naar wat God ons te zeggen heeft.. Bij het uitspreken van een gebed, waarin slechts gevraagd wordt, spreken wij tot God, maar bij het uitspreken van de tefilla, in de ruimere zin van het woord, spreekt in de eerste plaats God tot ons. Laten we het eerlijk bekennen: het leven neemt ons geheel in beslag. De zorg voor ons dagelijks brood vervult ons geheel, en vereist vrijwel al onze energie. Het leven wordt steeds haastiger en gejaagder. De omzet van onze verkoop, de balans van onze zaak, moet ieder jaar groter zijn. De managerziekte maakt steeds meer slachtoffers. Op de

ene rustdag in de week zijn we veelal te moe om op geestelijk gebied iets te presteren. Wie heeft nog tijd of lust om zich te bezinnen op de grote levensvragen? En onze levensbeschouwing. Is deze joods? Hoe is de opvoeding van onze jeugd? Het grote euvel van het staken van het joods onderwijs met het bereiken van de bar-mitswa. Dus voordat de jeugd over de problemen van het leven zelfstandig begint na te denken, woekert in brede kring nog steeds voort. De rijpere jeugd ontvangt voor een groot deel geen joods onderwijs, is in joods opzicht aan zichzelf overgelaten of aan beïnvloeding van de niet-joodse omgeving. Haar levensbeschouwing wordt verder gevormd door de moderne literatuur, door de openbare pers, film, radio en televisie. Zo ontstaat veelal een materialistische levensbeschouwing, waarin voor een dagelijks gesprek met God geen plaats is. Waarom is dagelijks tefilla nodig? Hangt het succes van ons leven niet af van eigen werken, eigen inzicht, eigen energie?

Tefilla wil ons tot Joden maken.

Tefilla wijst ons er steeds weer op, dat er een hoger levensdoel bestaat dan de vergroting van ons bezit en ons genot. Tefilla wil onze levensbeschouwing in joodse zin opbouwen of verstevigen. Tefilla wil dat we het gebeuren in ons particuliere leven en dat in de grote wereld om ons heen joods verwerken. Tefilla wil ons voortdurend doen beseffen, dat we in Gods wereld leven. Goed doorvoeld uitgesproken tefilla wordt een religieus beleven, dat de hoogtepunten van ons dagelijks leven vormt. Wie van deze rijkdom geen besef heeft, is wel erg arm. In onze tijd van automatie en dreigende "technocratie",  van de oppermachtige invloed van de techniek. komt de opvatting naar voren. dat de mens slechts een robot is, een denkmachine. En anderzijds verkondigt een psychologische leerstelling, dat de mens slechts een dierlijk wezen is, waarin instincten en driften, bewust of onbewust, het levensgedrag bepalen. Tegenover beide standpunten wijst het jodendom op het bijzondere karakter van de menselijke psyche, van de menselijke persoonlijkheid, van de mens met zijn gevoel voor het hogere, voor het ethische en het religieuze, met zijn mogelijkheden tot Levensheiliging. Voor een goed begrip van het jodendom en dus ook van de tefilla. moeten we ons los maken van een rationele levensbeschouwing, want we bevinden ons op irrationeel terrein. Zoals Mozes voor zijn eerste open baring te horen kreeg: 'trek uw schoenen van uw voeten, want ge bevindt u op heilig gebied', zoals ook Jozua bij het begin van de verovering van Palestina vernam: 'trek uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop ge staat is heilig', zo moeten we weten, dat we met het bestuderen van het jodendom, het joodse volk en het joodse land, irrationeel, heilig terrein betreden. Zonder dit inzicht kunnen we de waarde en de betekenis van de tefilla niet beseffen.

Bij de tefilla staat dus de joodse levensbeschouwing op de voorgrond en komt het 'gebed' in eigenlijke zin op de tweede plaats. Als voorbeeld, als prototype van de tefilla, kunnen we zien een psalm, die we iedere Sabbatochtend uitspreken, psalm 19. Deze psalm bestaat uit drie gedeelten: het eerste gedeelte schildert Gods werken in de natuur, in het heelal. Het tweede deel beschrijft God als wetgever. Het derde gedeelte trekt de consequentie voor ons leven en bevat een gebed, een gebed om Gods steun om niet te kort te schieten in onze plicht.

De joodse wijsgeer Jehoeda Halevi zegt in zijn Koezari (III 5): 'het gebed is voor de ziel wat voedsel is voor het lichaam'. Zoals ons lichaam op vaste tijden voedsel nodig heeft, zo ook onze ziel. De tefilla is voedsel voor de ziel. Het dagelijks contact voelen met God, het op geregelde tijden luisteren naar de stem van het jodendom geeft ons psychisch kracht. Zoals een van de joodse geleerden het zegt: de Sjmone 'Esre  is te vergelijken met onze wervelkolom. Zoals deze ons lichaam recht overeind houdt en stevigheid geeft, zo houdt onze tefilla ons geestelijk staande. Maar als we nu niet gestemd zijn om de tef1l1a uit te spreken? Als we niet de religieuze behoefte hebben aan dat dagelijks contact met God? Als onze ziel niet om voedsel vraagt? Juist dan hebben we de tefilla dringend nodig. Want dan heeft of het leven ons gegrepen, en zijn we slaaf van ons werk geworden, of heeft een onjoodse levensbeschouwing macht over ons gekregen. Dan zijn we als de patiënt, die de voorschriften van de arts niet wil opvolgen, omdat hij zich niet ziek voelt. Juist dan hebben we de therapie van de tefilla zeer nodig.

Onze stemming en onze religieuze behoeften

Als we niet gestemd zijn...

Alsof onze stemming het hoogste en laatste woord mag hebben bij het bepalen van onze handelingen. Ook bij andere besluiten in ons leven kennen we, als we ons beheersen kunnen, aan onze stemming geen autoriteit toe. Indien we voor onze zaak op reis moeten, doen we dat, ook als we niet gestemd zijn. Als we de zaak maar belangrijk genoeg achten. En daar gaat het om. Als we de tefilla maar belangrijk genoeg achten. Dan zullen we, hoe minder we daartoe gestemd zijn, des te meer energie aanwenden om ons los te maken van wat ons zo bezighoudt en ons trachten te concentreren op de tefilla. En in de tefilla zullen we horen, wat het essentiële in ons leven moet zijn en wat van blijvende waarde is. En als we geen religieuze behoefte hebben ... Hoe staat het met het religieuze gevoel in het jodendom? Zeker, het jodendom verlangt van ons bepaalde daden en het verwacht het accepteren van bepaalde grondgedachten. Hoe is 't nu met het religieuze gevoel? Voor een goed doorleefd jodendom is ontwikkeling van het religieuze gevoel noodzakelijk. Het moet de basis van ons joods leven zijn. Zeker, de tora vraagt niet of ons religieus gevoel ontwikkeld is, maar decreteert haar geboden voor iedereen, onverschillig hoe hij of zij is, of zijn of haar religieus gevoel meer of minder ontwikkeld is. Maar iemand, die de grondprincipes van het jodendom accepteert en de joodse daad verricht. is nog geen vol-jood, als zijn joods religieus gevoel niet ontwikkeld is. Dan heeft hij nog geen bezieling, geen ‘nesjomme'. Iemand b.v., die zich nauwkeurig aan 't werkverbod op Sabbat houdt heeft de Sabbat nog niet goed gevierd. Want er moet in het joodse gezin een bepaalde Sjabbatsfeer heersen. Dan pas gaat er kracht uit van de Sjabbatviering, dan pas is de Sabbat een positieve factor in ons leven. Voor een echte Sabbat zijn beide nodig: het sjamor, het zich houden aan het werkverbod en het zachor, het scheppen van de Sabbatsfeer. En daarvoor is ontwikkeld religieus gevoel voorwaarde. Het meest normale, het gezondste, is het, dat dát gevoel in het ouderlijk huis wordt ontwikkeld. Nog voordat het kind iets van de grondgedachten van het jodendom hoort, kan en moet zijn joods gevoel al beïnvloed worden. De sfeer van de maaltijd met de be'racbot vooraf en erna, de stemming in huis op Sabbat en in sjoel, zullen het religieus gevoel aankweken. De wijze, waarop gasten ontvangen worden, waarop de 'sjnorrer', de van huis tot huis gaande bedelaar, geholpen wordt, zijn van even groot belang als de wijze, waarop de Jamiem Towiem worden doorgebracht. De wijze, waarop over de medemens gesproken wordt en het roddelen wordt verworpen, is van even groot belang als de wijze, waarop over het joodse volk en de joodse staat wordt gediscussieerd. De ernst en de liefde, waarmee door de ouders over het jodendom wordt gesproken, is van doorslaggevend belang bij de opvoeding van de kinderen. Als die aanwezig zijn, dan mag verwacht worden, dat bij de kinderen dat hoogste religieuze gevoel ontwikkeld wordt, dat simcha sjel mitswa genoemd wordt, de vreugde om de mitswa. En indien onze ouders het cultiveren van dat gevoel nagelaten hebben of ze et niet in geslaagd zijn dit gevoel bij ons tot ontwikkeling te brengen, dan rust op ons, kinderen van Gods volk, de taak op oudere leeftijd door zelfopvoeding te trachten dit gevoel aan te kweken. Een belangrijk hulpmiddel daartoe is bet bewust uitspreken van de dagelijkse tefilla. Dit zal zeker ons religieus gevoel ontwikkelen of versterken en daardoor zal onze religieuze behoefte stijgen. Zo kan ons leven worden: een steeds 'stijgen in heiligheid'.

Het belang van het religieuze gevoel komt treffend tot uiting in het Chassidische verhaal van de herdersjongen, die zonder jodendom was opgegroeid en steeds maar met zijn kudde door de wijde velden zwierf. Soms, in zijn eenzaamheid, voelde hij jets van het grootse van de natuur en kwam er over hem een onbestemd gevoel van jets hogers, van iets verhevens. AIs dit over hem kwam, zette hij zijn vingers aan zijn mond en bracht hij dit vage religieuze gevoel tot uiting door het fluiten van een lied. Eens was hij door een vriend op Jom Kippoer meegenomen naar sjoel. Het einde van de dag, waarvan hij niet veel begrepen had, naderde. Het was tijdens het Ne'ila gebed. Hij voelde de religieuze geladenheid van de sjoel, vol mensen, die in de diepste aandacht God om vergiffenis smeekten, voordat de poort van de hemel gesloten werd. Daar kwam dat onbestemde gevoel over hem. Hij werd meegesleept in de devotie van de biddende massa. En daar klonk plotseling tot grote ontsteltenis van de hele gemeente een schelle fluit: de religieuze ontlading van de herdersjongen. 'Op de heilige Jom Kippoer gefloten!', sprak men verschrikt. Maar de rebbe sprak: 'die schelle fluit heeft voor ons allen de poort van de hemel gekliefd. Nu wordt ons gebed zeker verhoord'. Voorwaarde is natuurlijk, dat we de inhoud van de tefilla begrijpen. Nu tegenwoordig velen 'iwriet' leren, is dit voor hen geen probleem meer. Maar voor een ieder is het van belang, ook als hij de gebeden kan vertalen, zich in de betekenis ervan te verdiepen.

Spontane en vastgestelde Tefilla

Ja maar misschien hebben we wel behoefte aan tefilla in de eigenlijke zin van het woord, aan bidden, maar willen we onze persoonlijke moeilijkheden voor God uitspreken in eigen bewoordingen, spontaan, zoals ze ons uit het hart opwellen? Daartegen bestaat geen enkel bezwaar en daartoe bestaat de mogelijkheid in de omlijsting van onze tefilla. En daarvoor mogen we ook gerust onze moedertaal gebruiken. Maar dit spontane gebed mag onze vastgestelde tefilla niet vervangen. Tefilla uitspreken is immers naast vragen, hoofdzakelijk luisteren. Misschien is dat wat er in ons leeft. Misschien zijn de moeilijkheden waarmee we worstelen, een gevolg van onjoodse invloeden die onze gedachtewereld zijn binnengedrongen. De tefilla zorgt dan voor correctie van vreemde denkbeelden.

Zal ons gebed worden verhoord?

En als we niet kunnen bidden, omdat ons gebed herhaaldelijk niet verhoord is? Als we daarom menen, dat het geen zin heeft tot God te bidden? Als de ontzettende ellende, die we meemaakten, ons zo neergesmakt heeft dat we in onze diepe teleurstelling menen dat het bidden doelloos is?

Dit diepe probleem is niet in enkele woorden op te lossen. We willen slechts het volgende erover zeggen. De houding van onze grote mannen uit het verleden kan ons tot voorbeeld zijn. We denken in de eerste plaats aan koning David, die in zijn leven zeer veel ongeluk heeft ondervonden. Ondanks dat heeft hij ons in zijn psalmen ontroerende gebeden uit de diepste ellende nagelaten, waaruit onwrikbaar Godsvertrouwen blijkt. Hij begreep, dat God in Zijn absolute rechtvaardigheid zeker gegronde redenen had, als Hij zijn gebed niet verhoorde. Hij zag in, dat de mens niet rechter over God mag zijn. Misschien had hij niet verdiend, dat zijn gebed verhoord werd of misschien was het niet verhoren voor zijn opvoeding nodig. Welke ouders kunnen alle wensen van hun kinderen inwilligen? Misschien had Gods leiding andere plannen dan met zijn plannen overeenkwam, plannen die de mens in zijn kortzichtigheid niet kan overzien 'Want niet zijn Mijn gedachten als jullie gedachten en niet jullie wegen als Mijn wegen', sprak de profeet Jesaja uit Gods naam. Maar ondanks al zijn moeilijkheden was koning David vast overtuigd van Gods alziend oog en van Zijn strikte rechtvaardigheid. 

En tenslotte dit: indien ieder gebed verhoord werd, zou dit de waarde van het gebed niet te niet doen? Zou het gebed dan niet gedegradeerd worden tot koele berekening?

En als er, menselijkerwijze gesproken, geen uitzicht op verhoring van ons gebed bestaat? Nemen we als voorbeeld, wanneer bij een zieke door de artsen een kwaadaardig gezwel is geconstateerd, dat niet meer geopereerd kan worden. Laat ons dan ook het voorbeeld van koning David volgen, toen hij na zijn zonde met Batsjeba van de profeet Natan vernomen had, dat zijn pas geboren zoontje zou sterven en hij toch bad. Want hij sprak: 'misschien zal God mij toch genadig zijn en het kind laten leven' 2Samuël 12, 22. En zo zullen we voor iedere zieke uit onze naaste omgeving Gods hulp vragen, ingelast in de Sjmoné Esré: 'wilt U, God, spoedig volledige genezing, geestelijk en lichamelijk, zenden aan...  Misschien doet God een wonder. Misschien hebben de medici zich vergist. Misschien wordt van medische zijde tijdig een ontdekking gedaan, waardoor de groei van het gezwel wordt geremd en onze patiënt gered. En indien we de steeds voortschrijdende achteruitgang van onze patiënt waarnemen. Zullen we God bidden zijn lijden zo gering mogelijk te doen zijn, en de artsen het juiste inzicht te geven om door juiste toediening van geneesmiddelen de smarten zo veel mogelijk te verzachten. Zolang de patiënt in leven is, zullen we Gods hulp blijven smeken, zoais van koning David gezegd is: 'zolang het kind leefde, vastte en weende hij, want hij dacht: misschien zal God mij genadig zijn en het kind laten leven'. Gebedsgenezing, dus genezing alleen door de kracht van het gebed, kent het jodendom niet. Genezing door gebed is uitsluitend een gebed tot God of Hij wil doen genezen, of Hij de artsen het heldere inzicht wil geven om bijtijds de juiste diagnose te stellen en de juiste behandeling in te stellen.

En voorts zullen we God om gezondheid vragen, dus in preventieve zin, om niet door de ziekte aangetast te worden. Want dat dit de belangrijkste taak van de arts is blijkt al uit: indien je Mijn geboden opvolgt, zal alk de Egyptische ziekte niet over jullie brengen, want Ik ben jullie geneesheer' Exod. 15. 26.

Zo natuurlijk het is, dat we God om gezondheid vragen, evenzo menselijk is het dat we om een inkomen smeken, zodat we zonder zorg kunnen leven. 'Geef ons een eervolle wijze om ons brood te verdienen', zeggen we in Birkat Hamazon, geef ons levensonderhoud, op eerlijke, eervolle wijze in ruime mate.'Uit Uw hand direct, zodat we geen gift of lening van onze medemens nodig hebben.' En in de Sjmone Esre vragen we: 'zegen, God, dit jaar, laat ons ruim genieten van het goede, dat U schenkt.. We vragen dit van Hem, in wiens hand rijkdom en eer ligt en die de macht heeft allen, iedereen, groot en sterk te maken. 1Kron. 29, 12.

Geen rijkdom ten koste van de ander. God kan iedereen rijk en groot maken. Maar een oud joods wijsheidswoord zegt: 'rijkdom noch armoede geef mij; geef mij, God, mijn dagelijks brood' Spreuken 30,8. Want rijkdom en armoede kunnen gemakkelijk tot zonde voeren. Zo vragen we dan ook niet om rijkdom, maar om een parnasa, die ons in staat stelt zonder zorg op waardige wijze te leven. En ons gebed van iedere avonden laat vijand, besmettelijke ziekte, oorlog, hongersnood en zorg verre van ons blijven' zullen we in de terminologie van onze tijd in gedachten zo omzetten: houd ons bevrijd van antisemitisme, kanker. t.b.c., bombardement, concentratiekamp, uithongering, alle rampen. auto-ongeluk, tegenspoed in zaken, etc.

Concentratie

Het goed uitspreken van de tefilla is niet eenvoudig. Het eist van ons intensieve concentratie. Maar al te gemakkelijk vervallen we in een gedachteloos uitspreken van de woorden, maar al te gemakkelijk laten we ons afleiden door onze omgeving. Kawana, concentratie, is een onmisbare voorwaarde voor een echt gebed. Bij voorkeur zullen we daarom trachten het steeds daar uit te spreken, waar de sfeer geheel op de tefilla is ingesteld, in sjoel. Daar behoort althans een sfeer te heersen, die concentratie bevordert. De halacha keurt dan ook ten strengste alles af, wat afleidt van die concentratie. Want dit stoort niet alleen ons eigen gebed, maar ook dat van anderen. De Misjna Beroera [Orach Chajim 151] zegt daarover:

'Men mag zich in sjoel niet op onbehoorlijke wijze gedragen b.v. door te schertsen, te spot ten of door zo maar te praten. Gewoon praten over ditjes en datjes is al onjuist, zeker is het verboden te roddelen, kwaad te spreken, ruzie te maken. Want afgezien daarvan, dat het op zichzelf zonden zijn, de zonde is nog groter op onze heiligste plaatsen, want ze betekenen een minachting van God, een belediging van de Koning in Zijn paleis, in Zijn aanwezigheid. Velen struikelen door deze zonden en brengen bovendien anderen tot deze zonden. Groot is de ontwijding van Gods Naam, indien deze zonden naar buiten treden. Daarom zal ieder die eerbied heeft voor God en Zijn woord, er steeds zorgvuldig voor waken om enig onnodig woord in sjoel te spreken, want deze plaats is uitsluitend bestemd voor tora en tefilla',

Het gemeenschappelijk gebed, met de spontane individuele uitingen van religieuze bewogenheid. Kan onze kawana ten zeerste bevorderen. En het is de taak van de gazan hierin de stuwende kracht te zijn. Als ba 'al tefilla, als 'meester van de tefilla' dient hij te trachten ons mee te slepen in zijn kawana, ons op te voeren tot - soms ernstige. soms blijde - religieuze ontroering. Wij van onze kant. dienen ons bereidwillig open te stellen voor wat de tefilla en haar officiële vertolker in ons wil opwekken.

Het uitspreken van de tefilla wordt 'awoda sjebalew genoemd, waarbij de nadruk op 'awoda dient te vallen. Tefilla is activiteit, geestelijke, psychische werkzaamheid, vereist psychische energie. We dienen haar inhoud geestelijk te verwerken, ons in haar inhoud steeds meer te verdiepen. Zij is, samengesteld door onze grootste profeten, denkers en dichters, zo rijk aan gedachten, zo toepasselijk op vrijwel ieder gebeuren in ons eigen leven en dat van de gemeenschap. dat wij in haar vrijwel in alle levensomstandigheden antwoord op onze vragen en moeilijkheden vinden. De levenservaring en levenswijsheid van onze grootste is in de tefilla neergelegd.

Maar we moeten dan ook de tijd en de rust nemen, die de tefilla vraagt. Ze mag niet een plicht, een last zijn, die we dagelijks, zo kort mogelijk, verrichten. Ze moet voor ons zijn een op zichzelf staand, waardevol gebeuren, iedere dag opnieuw. Dan zullen we ook telkens weer door een andere gedachte getroffen worden, afhankelijk van onze psychische toestand of van het gebeuren in ons leven en in de grote maatschappij. Zoals oude joodse geleerden het uitdrukten: een gebed is pas dan goed uitgesproken, indien men er een nieuwe gedachte in heeft ontdekt (B'rachot 29b) Het zal met onze tefilla zijn alsof er telkens een nieuw licht gaat schijnen als er moeilijkheden op onze levensweg zijn. Zo zullen in ons leven nu eens deze woorden van de tefilla voor ons lichtgevend zijn, dan weer andere gedachten er in voor ons licht uitstralen. En vaak zullen deze lichtende woorden ons antwoord geven op de problemen, die ons bezighouden. We dienen goed te begrijpen, dat we de tefilla niet ter wille van God, maar van onszelf uitspreken. Boosaardig wanbegrip stelt het wel eens voor alsof we God gunstig willen stemmen door Hem te vleien. Wanneer we God toespreken als de goede, de wijze, de almachtige, dan doen we dat om ons zelf Gods goedheid, wijsheid en almacht te doen beseffen en om ons goed er van te doordringen, dat de vervulling van onze wensen geheel en geheel alleen in Gods handen ligt. Ook wanneer we Gods hulp vragen met de woorden: 'doet U het ter wille van Uw Naam, dan is dat een uiting van het diepste religieuze gevoel, dat als hoogste goed ziet de verheerlijking van Gods Naam. Zoals de dichter van de psalmen het uitdrukt: 'niet ons, Eeuwige, niet ons, maar bewijs Uw Naam eer' (Psalm 115)

Er bestaat een uitspraak van een onzer geleerden, die op het eerste ogenblik vreemd aandoet en met het zo-even gezegde in tegenspraak lijkt. In de gemara [Jewamot 64a] luidt het: 'God verlangt naar het gebed van de goede mens'. Misschien mogen we deze uitspraak zo verstaan.

Tefilla als contact voelen van de mens met God is niet eenzijdig van menselijke kant,  maar - als we het zo mogen zeggen - ook God van Zijn kant stelt dit contact op prijs. God verlangt dat de mens contact met Hem opneemt. Innige religiositeit is als de liefde van man en vrouw tot elkaar, is wederzijds. Zoals het in het Hooglied, dat naar joodstraditionele zienswijze de verhouding van God tot Israël beschrijft als de liefde van man tot vrouw, zo mooi is uitgedrukt: 'ik behoor mijn Vriend en mijn Vriend behoort mij'.

Hoe verheven God ook is. Hij is ons nabij.

Er is een merkwaardige tegenstelling in onze verhouding tot God, die ook in de tefilla tot uitdrukking komt. Enerzijds stellen we ons God voor ogen in Zijn grootheid, in Zijn huiveringwekkende, adembeklemmende hoogheid, in zijn hemelboog boven het menselijk verstand verheven, voor ons onvatbare wijsheid. En anderzijds is er die - als we het zo mogen zeggen - intieme, vertrouwelijke verhouding tot God, tot wie we ons als tot een vader kunnen wenden met al onze grote en kleine moeilijkheden en die ons 'nabij is, wanneer we Hem aanroepen'. Ieder van deze gedachten over God, alleen, los van de ander, kan ons op dwaalwegen brengen. Zien we God alleen in Zijn grootheid, dan zijn we allicht geneigd aan te nemen, dat Hij zich niet met de kleine menselijke kwestietjes bezighoudt. Ja, we kunnen menen, dat we aan Zijn grootheid afbreuk doen door aan te nemen, dat ons menselijk doen en laten Hem belang inboezemt. En zien we God anderzijds als onze vertrouwde vriend, dan zijn we geneigd aan te nemen, dat Hij in Zijn liefde zeker al onze zonden zonder meer vergeven zal en dat we het daarom met de zonde niet zo nauw behoeven te nemen. Het jodendom leert dat God in Zijn verhevenheid en in Zijn liefde voor de mens een en dezelfde is. Scheiding van beide begrippen is in strijd met de strenge monotheïstische Godsopvatting van het jodendom. Daarop doelt b.v. de uitspraak van Rabbi Jochanan: 'Overal, waar men Gods grootheid vindt, ziet men tevens hoe Hij zich met het geringste op aarde bezighoudt. Zoals er b.v. staat: want God, jullie God, is de grootste God, de Heer der Heren, de grote, machtige, ontzagwekkende God'. En daarop laat Mozes direct volgen: 'die recht verschaft aan wees en weduwe, die de vreemdeling lief heeft en hem brood en kleding geeft' (Deut. 10,17 -18; Zie ook Jesaja 17, 15 en Psalm 68, 5-6). Deze gedachte vinden we op verschillende plaatsen in onze tefilla terug. Lees bijvoorbeeld psalm 147;

Schuldgevoel en deemoed

Het besef van Gods verhevenheid en daartegenover van onze kleinheid en nietigheid, onze menselijke zwakte en hulpeloosheid, dient een religieuze stimulans te zijn. Het moet de basis van ons religieus gevoel zijn en ons aldus prikkelen voortdurend naar de stem van ons geweten te luisteren. Het zal ons verantwoordelijkheidsbesef wakker houden en ons niet laten vervallen in een bourgeois zelfgenoegzaamheid. Maar het besef van onze menselijke zwakte kan ook negatief werken. Het gevoel van steeds weer te falen, van steeds maar weer overwonnen te worden door onze 'slechte hartstocht' kan ook een te sterk schuldgevoel in ons opwekken en ons tot wanhoop brengen. 'Wat helpt die voortdurende strijd tegen mijn jetser hara, ik zie me steeds weer vallen, ondanks mijn beste voornemens. Laat ik de strijd maar opgeven'.

Maar voordat we tot deze defaitistische conclusie komen, hebben we ons terdege eerlijk af te vragen of we werkelijk alles gedaan hebben om het slechte in ons te overwinnen. Hebben we geluisterd naar de stem van het jodendom, dat adviseert iedere gelegenheid te vermijden, die tot overwinning door onze jetser hara kan leiden, ons verwijderd te houden van ieder mens en iedere plaats, die ons gemakkelijk in verleiding kan brengen. En dat verder de raad geeft ons met alle energie te werpen op de verwerkelijking van een ideaal, zodat we daardoor geheel in beslag genomen worden. Ook de tefilla kan ons een steun zijn bij onze innerlijke strijd. Als we met al onze energie eerlijk gestreden hebben, is er geen reden tot wanhoop. En al zullen we toch nog vaak struikelen, dan mogen we toch rekenen op Gods lief de; God weet immers, dat de mens geen tsaddiek is, die nooit zondigt' Kohelet 7,20. Hij beoordeelt de mens naar de strijd, die hij met zijn jetser hara gevoerd heeft en Hij steekt Zijn hand naar hem uit als naar een drenkeling in het water om hem te helpen. Zoals we het op Jom Kippoer in het Ne'ilagebed leggen: 'U reikt overtreders de hand en Uw rechterhand is uitgestrekt om hen in terugkeer te ontvangen, want u verlangt niet de dood van de slechte maar dat hij terugkeert van zijn weg en blijft leven'. Een te sterk schuldgevoel slaat neer, het doodt.

De Godsidee moet ons juist oprichten. Als we ons bij de Sjmoné 'Esré enige malen voor God buigen, leert ons de halacha: 'buig de knieën bij het woord baroech, buig U voorover bij het woord atta, maar voor ge Gods Naam uitspreekt, richt U dan weer op,' want 'Gods Naam moet ons oprichten' (Hirsch). En als we ons op Rosj Hasjana en Jom Kippoer enige malen voor God ter aarde werpen, wat we het hele jaar verder nooit doen, doen we het niet bij het uitspreken van de Widdoej, van het schuldbelijden, maar bij het beleven van Gods aanwezigheid 'im Schauen der unmittelbaren Gottesnahe', in de tempeldienst in vroeger tijden (Rosenzweig).

Zeker, het jodendom leert dat God niet versmaadt een gebroken en deemoedig hart (Psalm 51.19) en dat: 'God nabij is hen die gebroken van hart zijn' (Psalm 34,19) Het beseffen van eigen kleinheid, het voelen van eigen nietigheid en machteloosheid, het echt gebroken zijn van hart door sterke schuldgevoelens, zal zeker een fase, een steeds terugkomende fase in ons psychisch leven lijn, maar de gebroken tonen, de sjewariem en teroe'a van de sjorar op Rosj Hasjana moeten onmiddellijk door de ongebroken tekie'a gevolgd worden, door de opwekking tot nieuw, ongebroken leven.

Sjema' Jisrael

Deze grondgedachte van bet jodendom, die het zuivere monotheïsme definieert, bevat ook de bovengenoemde idee, dat God een en dezelfde, een ondeelbare eenheid is, hoe Hij zich ook aan ons manifesteert: hetzij als God van de Liefde, als God, die 'doet zijn', wat de vier-letterige Naam tot uitdrukking brengt, - hetzij als God van het Recht, die 'in de beginne hemel en aarde geschapen heeft' en die als zodanig de mens kritisch beoordeelt of hij Zijn wereld niet door wangedrag ten gronde richt.

Gods vertrouwen

Heb vertrouwen in God en Zijn liefde, leert het jodendom. Dit Godsvertrouwen geeft ons een gevoel van veiligheid. van geborgenheid. 'Zelfs als ik ga door dood-donker dal, ben ik niet bang voor onheil, want U bent bij me, zegt koning David (Psalm 23,4). En we zeggen het bij het begin van de dag 's s'morgens en bij het eind 's avonds in Adon 'Olam.

De  Zin der B'rachot

We vinden een groot aantaI dingen in het leven vanzelfsprekend. Dat we 's morgens uitgerust wakker worden, de ogen kunnen openen, onze spieren kunnen gebruiken, kunnen lopen, onze kleding naast ons bed vinden, ons ontbijt gereed vinden staan, al deze dingen, ja, we denken er niet over na en zeker danken we er niet voor. 't Is allemaal heel gewoon, vanzelfsprekend, dat dit zo het geval is. We beleven het niet bewust. Het jodendom wil dat we al deze dingen bewust beleven, iedere dag opnieuw en wel steeds weer als een geschenk van God. Dit is de bedoeling van de ochtendb'rachot, waarin we God danken, dat we weer kunnen zien, kunnen lopen, ons kunnen kleden, dat we uitgerust zijn, dat we als jood mogen leven. Vandaar ook de nadruk in het driemaal daags uitgesproken Asjre (Psalm 145) dat God het is, die eten geeft op de juiste tijd, die Zijn hand opent en met liefde al wat leeft tevredenstelt (zie vertaling op pag. 68). Vandaar ook in de bracht. Die aan Sjema' voorafgaan: dat God het is, die als het ware dagelijks opnieuw de wereld schept, en dat God het alleen is, die zeer bijzondere daden verricht, nieuwe scheppingen tot stand brengt, Heer van oorlog en vrede is, die het goede doet ontstaan, hulp verleent, genezing brengt. Het oude en het geregeld terugkerende, dat waaraan we gewend zijn, stemmen ons meestal niet tot nadenken, slechts het nieuwe geeft onze vreugde. Als een kind begint te spreken, verheugen de ouders zich met ieder geluidje, dat hun baby voortbrengt. Ieder nieuw woord, dat het kind uitspreekt, is voor hen een bron van blijdschap. Maar als 't kind ouder geworden is en gewoon spreekt, dan is dat vanzelfsprekend, niemand schenkt er bijzondere aandacht aan, niemand verheugt zich er meer over. Het jodendom wil, dat we iedere dag opnieuw de vreugde voelen over al die dingen, die we zo gewoon vinden, dat we iedere dag opnieuw de bijzondere geschenken van God waarderen. Dat is de bedoeling van de b'rachot.

Individu en Gemeenschap

Is het gebed op zichzelf een zeer persoonlijke religieuze uiting, het mag niet egoïstisch of egocentrisch zijn. We lagen reeds het belang van het gemeenschappelijk gebed. Het zich onderdeel weten van een gelijkgerichte, in tefilla verdiepte gemeenschap vestigt reeds onze aandacht op de andere delen van die gemeenschap. Die gemeenschap, bij voorkeur te samen in het Bel-Hakkenesel, in sjoel, weet, dat ze de plaatselijke joodse gemeenschap, de kehilla is en dat die weer onderdeel is van de grote joodse gemeenschap, het joodse volk, de Kelal lisrael, die op haar beurt weer een onderdeel van de mensheid is. Zo voert de tefilla ons naar de zorgen en noden van onze medemens, vanaf onze naaste in onze 'Woonplaats naar onze mede-joden en medemensen. Ja, de halacha adviseert naar aanleiding van Psalm 17,15 iedere keer voor het gebed tsedaka-geld af te zonderen of te geven.

De verbondenheid met Tsion

En verder voert ons de tefilla naar het joodse land, vragen we herstel van Tsion als in vroegere tijden, en de komst van de Masjieach. Ja, het was juist o.a. de tefilla, die in de lange jaren van het galoet steeds de band met het joodse land heeft doen vasthouden en die ons nu, nu we weer Goddank een joodse staat bezitten, laat zien, dat onze uiteindelijke idealen nog niet vervuld zijn.

Algemene Godserkenning

De tefilla verruimt onze blik. Voert ze ons - plaatselijk - van ons eigen, egoïstisch, ik, naar de gemeenschappen, waarvan we onderdeel zijn: naar kehilla, naar het joodse volk, naar de mensheid, ook tijdelijk, historisch, voert ze ons van het vluchtige nu, enerzijds naar de oudste tijden, naar de schepping der wereld en het ontstaan van het volk Gods en anderzijds naar de toekomst, naar het einde der dagen, naar het einddoel van de wereld, naar de tijd van wereldvrede, overal heersende voorspoed en algemene Godserkenning. Zo zeggen we het in dat prachtige Alénoe, waarmee we ieder gebed besluiten.

Zo vragen we ook steeds om vrede aan het slot van de Sjmoné-"Esré en van het besjen; 'Die vrede sticht in zijn hoge sferen moge ook vrede brengen voor ons en voor heel Jisrael'.

Heiliging van Gods naam

KADDIESJ

De mens in zijn kleinheid en nietigheid - tegenover God in zijn mysterieuze, ondoorgrondelijke grootheid! Mag de mens het wagen Gods Naam te willen verheffen en heiligen? Is dat niet een onvergefelijke zelfoverschatting? Moet hij niet als Mozes bij de eerste openbaring 'zijn gelaat bedekken' en zwijgen. Hoogstens - als Mozes - stamelen: 'wie ben ik?' De diep religieuze dichters van de pijoetiem van Jom Kippoer voelden het probleem en ze dichtten: in steeds andere schilderingen, met steeds andere beelden: 'De diepe eerbied voor U, God, rust op de ontzagwekkende engelen in de oneindige ruimten van het heelal, en toch wenst U de lof van hen, die nietig zijn, nietswaardig, onwaarachtig, ongerecht. Die zijn als verdroogd gras, als de voorbijtrekkende schaduw, als een verwelkte bloem en dat is juist Uw grootheid'.

God wil, God stelt op prijs de hulde van de mens, want daaruit blijkt zijn diepste verlangen naar contact met God. God verlangt immers naar tefilla van de goede mens. "Ik wil geheiligd worden temidden van de kinderen lsraëls. Ik, God, die u oproept tot levensheiliging" (Lev  22.23). In een wereld, waarin het eigenbelang van volkeren en individuen vrijwel steeds de doorslag geeft bij belangrijke beslissingen, waarin het heilige vrijwel steeds als irreëel en fantastisch daarbij wordt uitgeschakeld, is het de taak van het joodse volk en de joodse enkeling - Kaddiesj uit te spreken, Gods Naam te heiligen. Zo is Kaddiesj een getuigenis, een belijdenis, een verkondiging in het openbaar, dat heiliging van Gods Naam in woord en in daad - in en door het leven in de eerste plaats, desnoods ook door het prijsgeven van het leven - het hoogste streven van iedere jood en van het joodse volk als geheel moet zijn. Zodat het besef van Gods heiligheid het hoogste bezit van de gehele mensheid zal worden en Gods Rijk, het Malchoet Sjamajiem, op de gehele wereld spoedig, in onze dagen, werkelijkheid zal worden.

"Een lofzang op de Eeuwige brengt mijn mond tot uiting en al wat leeft prijst zijn heilige Naam (Psalm 145,21).

OCHTEND- en AVOND-tefilla

Ons dagelijks gebed, 's morgens en 's avonds, is opgebouwd op de grondslag van de bovenvermelde psalm 19. Het eigenlijke gebed, de Sjmoné-'Esré, vormt het slot en wordt voorafgegaan, vóór Sjema', door twee b'rachot. In de eerste daarvan beleven we Gods openbaring in de natuur, de tweede beschrijft Gods openbaring in de tora. In het ochtendgebed van de werkdag worden beide openbaringen uitvoeriger beschreven. De eerste b'racha beschrijft het ontwaken van de natuur als een grootse huldiging van de natuurkrachten, die als een koor van engelen iedere dag opnieuw God heiligen met de roep, die de profeet Jesaja vernam: 'heilig, heilig, heilig is de Eeuwige Tsewaot, heel de aarde is vol van Zijn Majesteit'.

En op Sjabbatochtend. Als we meer tijd en rust voor onze tefilla hebben, wordt deze schildering nog uitvoeriger en grootser, hetgeen alleen uiterlijk al tot uiting komt doordat de zang van de werkdag, die samengesteld is uit woorden in alfabetische volgorde geplaatst, nu deze gedachten uitwerkt in zinnen, naar de letters van het alfabet gerangschikt.

De Sjmoné-'Esré Ons gebed

En dan volgt, evenals in Psalm 19, de eigenlijke tefilla. Want, ligt, zoals gezegd, de nadruk van onze tefilla in het  algemeen op onze levensbeschouwing, het gebed in de eigenlijke zin van het woord, het bidden, het vragen, het smeken, is zo zeer menselijk, dat het vanzelfsprekend ook zijn plaats in onze tefilla heeft. Dit eigenlijke gebed vormt het hoofdthema van de Sjmoné-Esré, de tefilla uit negentien b'rachot bestaande, die we staande, stil, uitspreken, nadat we ons voorbereid hebben door het uitspreken van een aantal psalmen, de beide genoemde b'rachot, het Sjema' en een daarop aansluitende b'racha. Voordat we ons tot God wenden met onze verlangens, moeten we ons voor ogen stellen wat God van ons verlangt. In al wat aan de Sjmoné-'Esré voorafgaat, houden we ons voor, wat het jodendom van ons - met onze aanleg en karakter, met onze opvoeding en de mogelijkheden van ons milieu - verwacht. We spreken het uit en houden ons daarmee als het ware een spiegel voor: zo zijn we en zo konden en moesten we zijn. We zien ons zelf eerlijk, zoals we in werkelijkheid zijn en kunnen zo zelf onze conclusie trekken door vergelijking met het geschetste beeld. Na deze voorbereiding wagen we het voor God te treden met onze wensen: wensen voor ons lichamelijk en geestelijk welzijn en voor dat van onze gemeenschap. De moderne wetenschap ziet de mens als een socio-psychosomatische eenheid, d.w.z. als eenheid van lichaam, ziel en milieu. De drie factoren beïnvloeden elkander. Voor optimaal welzijn is nodig gezondheid van lichaam, psyche en omgeving. De mens is als sociaal wezen afhankelijk van zijn omgeving en voor lichamelijke en geestelijke gezondheid is een gezonde, d.w.z. rustige, evenwichtige omgeving voorwaarde.

Het smeekgebed

Dat het volk van het lijden, van het onbeschrijfelijke wrede galoet, vele smeekgebeden heeft voortgebracht, is begrijpelijk, het is niet anders te verwachten. We spreken ze ook nu nog dagelijks en speciaal iedere maandag en donderdag uit, ook al hebben we de Medienat-Jisrael. De toestand daar en zeker in vele landen van het galoet is nog lang niet volmaakt.

Het dankgebed

Maar daarnaast bevat onze tefilla talrijke uitingen van dankbaarheid voor al wat we van God mochten en mogen ontvangen. Zo danken we God in de Sjmoné-'Esré 'voor ons leven, dat in Uw hand ligt, voor de wonderen, die U dagelijks met ons verricht, voor Uw liefde, die we te allen tijde van U ondervinden'. En in bet dankgebed na de maaltijd, in Birkat Hamazon, spreken we het uit, dat God het is, die al het bestaande van voedsel voorziet en 'door wiens goedheid ons nooit voeding ontbroken heeft en ontbreken zal'. En ondanks al het lijden, dat ons volk moest doormaken, klonk steeds weer het Hallel, het Hallel, dat van de oudste tijden als ons volkslied beschouwd werd, het Hallel, waarvan de centrale gedachte is: 'dankt God, want Hij is goed; eeuwig duurt Zijn liefde' zie Jeremia 30,11; Ezra 3,11; Kronieken 11,5.13 en 7,31.

God in vreugde dienen

De grootste dankbaarheid zal de religieuze mens gevoelen voor het voorrecht, dat hij God dienen mag en dit schenkt hem een gevoel van vreugde. In een stemming van vreugde en vertrouwen zal men zijn gebed beginnen, leert de halacha. We zeggen het in ons ochtendgebed: "juicht voor de Eeuwige, allen op aarde. Dient de Eeuwige met vreugde, verschijnt voor Hem met jubelgezang"(Psalm 100) en we beginnen de vrijdagavonddienst met: "komt, laten we juichen voor de Eeuwige, onze vreugde uiten voor onze rotsvaste hulp (Psalm 95).

In het leven zelf - zegt S.R. Hirsch - kunt u zich niet sterk maken voor het leven, want het neemt u geheel en al in beslag, het vraagt al uw kracht en energie. Vóórdat u dagelijks uw taak begint, dient u zich op het leven in de maatschappij voor te bereiden. De tefilla geeft die voorbereiding. Vandaar dus, dat we tefilla uitspreken 's morgens vóór het begin van onze dagtaak en 's avonds als inleiding voor de nacht. En 's middags, juist midden in het leven, in de volle activiteit voor ons levensonderhoud, een korte onderbreking voor een confrontatie met de joodse levenswaarden. Juist dan valt de nadruk op het inleidende Asjre'.  

Het is niet gemakkelijk steeds het gehele gebed met volledige concentratie uit te spreken. Want dit vereist grote zelfbeheersing. Wanneer we hierin niet altijd slagen, zullen we toch steeds van onze tefilla het innerlijke verrijkende besef meenemen, dat we contact met God mochten hebben. En steeds opnieuw zullen wij ons verantwoordelijkheidsbesef als jood en als mens voelen. En zo zal steeds bet besef in ons levendig gehouden worden, dat we in Gods wereld als kinderen van Gods volk leven. Dit is bet minimum, dat de tefilla ons schenkt. Het is in onze hand van onze tefilla iets te maken. En hoe meer we van haar maken, des te meer ontvangen we van haar terug.