|
|
|
Bidden Siach
Jitschak – gebed van Jitschak Inleiding
door D. Hausdorff Een arme
man kwam eens bij een Chassidiem-rebbe en klaagde hem bitter zijn nood. 'Bid tot
God', sprak de rebbe, 'Hij zal je zeker verhoren'. '. Maar ik kan niet bidden',
zei de arme man. 'Ach', sprak de rebbe vol medelijden, 'dan ben je wel erg arm'.
Tefilla
is meer dan gebed Tefilla
vertalen we met gebed. Maar gebed is bidden, vragen, smeken. En tefilla omat
veel meer. Reeds bij een eerste kennismaking met de tefilla blijkt, dat 'vragen'
slechts een klein gedeelte van onze dagelijkse tefilla vormt. Wat is tefilla dan
wel? En wat is de bedoeling van de tefilla? De tefilla is een complex van
stukken uit de tora, van psalmen, van stukken proza en poëzie uit alle tijden,
van dankzeggingen, van gebeden, van filosofische overpeinzingen. En de bedoeling
van de tefilla is ons los te maken uit de sleur van bet dagelijks leven, ons te
laten bezinnen op onze levenstaak, ons onze verantwoordelijkheid voor ons doen
en laten te doen beseffen en ons voor ogen te stellen wat God van ons verwacht.
Tefilla is op geregelde tijden, iedere dag, in relatie met God treden, contact
met God voelen. Tefilla is gesprek met God. Maar een gesprek, waar voornamelijk
God spreekt en wij luisteren, luisteren naar wat God ons te zeggen heeft.. Bij
het uitspreken van een gebed, waarin slechts gevraagd wordt, spreken wij tot
God, maar bij het uitspreken van de tefilla, in de ruimere zin van het woord,
spreekt in de eerste plaats God tot ons. Laten we het eerlijk bekennen: het
leven neemt ons geheel in beslag. De zorg voor ons dagelijks brood vervult ons
geheel, en vereist vrijwel al onze energie. Het leven wordt steeds haastiger en
gejaagder. De omzet van onze verkoop, de balans van onze zaak, moet ieder jaar
groter zijn. De managerziekte maakt steeds meer slachtoffers. Op de ene rustdag in
de week zijn we veelal te moe om op geestelijk gebied iets te presteren. Wie
heeft nog tijd of lust om zich te bezinnen op de grote levensvragen? En onze
levensbeschouwing. Is deze joods? Hoe is de opvoeding van onze jeugd? Het grote
euvel van het staken van het joods onderwijs met het bereiken van de bar-mitswa.
Dus voordat de jeugd over de problemen van het leven zelfstandig begint na te
denken, woekert in brede kring nog steeds voort. De rijpere jeugd ontvangt voor
een groot deel geen joods onderwijs, is in joods opzicht aan zichzelf
overgelaten of aan beïnvloeding van de niet-joodse omgeving. Haar
levensbeschouwing wordt verder gevormd door de moderne literatuur, door de
openbare pers, film, radio en televisie. Zo ontstaat veelal een materialistische
levensbeschouwing, waarin voor een dagelijks gesprek met God geen plaats is.
Waarom is dagelijks tefilla nodig? Hangt het succes van ons leven niet af van
eigen werken, eigen inzicht, eigen energie? Tefilla
wil ons tot Joden maken. Tefilla wijst
ons er steeds weer op, dat er een hoger levensdoel bestaat dan de vergroting van
ons bezit en ons genot. Tefilla wil onze levensbeschouwing in joodse zin
opbouwen of verstevigen. Tefilla wil dat we het gebeuren in ons particuliere
leven en dat in de grote wereld om ons heen joods verwerken. Tefilla wil ons
voortdurend doen beseffen, dat we in Gods wereld leven. Goed doorvoeld
uitgesproken tefilla wordt een religieus beleven, dat de hoogtepunten van ons
dagelijks leven vormt. Wie van deze rijkdom geen besef heeft, is wel erg arm. In
onze tijd van automatie en dreigende "technocratie", van de oppermachtige invloed van de techniek. komt de
opvatting naar voren. dat de mens slechts een robot is, een denkmachine. En
anderzijds verkondigt een psychologische leerstelling, dat de mens slechts een
dierlijk wezen is, waarin instincten en driften, bewust of onbewust, het
levensgedrag bepalen. Tegenover beide standpunten wijst het jodendom op het
bijzondere karakter van de menselijke psyche, van de menselijke persoonlijkheid,
van de mens met zijn gevoel voor het hogere, voor het ethische en het religieuze,
met zijn mogelijkheden tot Levensheiliging. Voor een goed begrip van het
jodendom en dus ook van de tefilla. moeten we ons los maken van een rationele
levensbeschouwing, want we bevinden ons op irrationeel terrein. Zoals Mozes voor
zijn eerste open baring te horen kreeg: 'trek uw schoenen van uw voeten, want ge
bevindt u op heilig gebied', zoals ook Jozua bij het begin van de verovering van
Palestina vernam: 'trek uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop ge
staat is heilig', zo moeten we weten, dat we met het bestuderen van het jodendom,
het joodse volk en het joodse land, irrationeel, heilig terrein betreden. Zonder
dit inzicht kunnen we de waarde en de betekenis van de tefilla niet beseffen. Bij de tefilla
staat dus de joodse levensbeschouwing op de voorgrond en komt het 'gebed' in
eigenlijke zin op de tweede plaats. Als voorbeeld, als prototype van de tefilla,
kunnen we zien een psalm, die we iedere Sabbatochtend uitspreken, psalm 19. Deze
psalm bestaat uit drie gedeelten: het eerste gedeelte schildert Gods werken in
de natuur, in het heelal. Het tweede deel beschrijft God als wetgever. Het derde
gedeelte trekt de consequentie voor ons leven en bevat een gebed, een gebed om
Gods steun om niet te kort te schieten in onze plicht. De joodse
wijsgeer Jehoeda Halevi zegt in zijn Koezari (III 5): 'het gebed is voor de ziel
wat voedsel is voor het lichaam'. Zoals ons lichaam op vaste tijden voedsel
nodig heeft, zo ook onze ziel. De tefilla is voedsel voor de ziel. Het dagelijks
contact voelen met God, het op geregelde tijden luisteren naar de stem van het
jodendom geeft ons psychisch kracht. Zoals een van de joodse geleerden het zegt:
de Sjmone 'Esre is te vergelijken
met onze wervelkolom. Zoals deze ons lichaam recht overeind houdt en stevigheid
geeft, zo houdt onze tefilla ons geestelijk staande. Maar als we nu niet gestemd
zijn om de tef1l1a uit te spreken? Als we niet de religieuze behoefte hebben aan
dat dagelijks contact met God? Als onze ziel niet om voedsel vraagt? Juist dan
hebben we de tefilla dringend nodig. Want dan heeft of het leven ons gegrepen,
en zijn we slaaf van ons werk geworden, of heeft een onjoodse levensbeschouwing
macht over ons gekregen. Dan zijn we als de patiënt, die de voorschriften van
de arts niet wil opvolgen, omdat hij zich niet ziek voelt. Juist dan hebben we
de therapie van de tefilla zeer nodig. Onze
stemming en onze religieuze behoeften Als
we niet gestemd zijn... Alsof onze
stemming het hoogste en laatste woord mag hebben bij het bepalen van onze
handelingen. Ook bij andere besluiten in ons leven kennen we, als we ons
beheersen kunnen, aan onze stemming geen autoriteit toe. Indien we voor onze
zaak op reis moeten, doen we dat, ook als we niet gestemd zijn. Als we de zaak
maar belangrijk genoeg achten. En daar gaat het om. Als we de tefilla maar
belangrijk genoeg achten. Dan zullen we, hoe minder we daartoe gestemd zijn, des
te meer energie aanwenden om ons los te maken van wat ons zo bezighoudt en ons
trachten te concentreren op de tefilla. En in de tefilla zullen we horen, wat
het essentiële in ons leven moet zijn en wat van blijvende waarde is. En als we
geen religieuze behoefte hebben ... Hoe staat het met het religieuze gevoel in
het jodendom? Zeker, het jodendom verlangt van ons bepaalde daden en het
verwacht het accepteren van bepaalde grondgedachten. Hoe is 't nu met het
religieuze gevoel? Voor een goed doorleefd jodendom is ontwikkeling van het
religieuze gevoel noodzakelijk. Het moet de basis van ons joods leven zijn.
Zeker, de tora vraagt niet of ons religieus gevoel ontwikkeld is, maar
decreteert haar geboden voor iedereen, onverschillig hoe hij of zij is, of zijn
of haar religieus gevoel meer of minder ontwikkeld is. Maar iemand, die de
grondprincipes van het jodendom accepteert en de joodse daad verricht. is nog
geen vol-jood, als zijn joods religieus gevoel niet ontwikkeld is. Dan heeft hij
nog geen bezieling, geen ‘nesjomme'. Iemand b.v., die zich nauwkeurig aan 't
werkverbod op Sabbat houdt heeft de Sabbat nog niet goed gevierd. Want er moet
in het joodse gezin een bepaalde Sjabbatsfeer heersen. Dan pas gaat er kracht
uit van de Sjabbatviering, dan pas is de Sabbat een positieve factor in ons
leven. Voor een echte Sabbat zijn beide nodig: het sjamor, het zich houden aan
het werkverbod en het zachor, het scheppen van de Sabbatsfeer. En daarvoor is
ontwikkeld religieus gevoel voorwaarde. Het meest normale, het gezondste, is het,
dat dát gevoel in het ouderlijk huis wordt ontwikkeld. Nog voordat het kind
iets van de grondgedachten van het jodendom hoort, kan en moet zijn joods gevoel
al beïnvloed worden. De sfeer van de maaltijd met de be'racbot vooraf en erna,
de stemming in huis op Sabbat en in sjoel, zullen het religieus gevoel aankweken.
De wijze, waarop gasten ontvangen worden, waarop de 'sjnorrer', de van huis tot
huis gaande bedelaar, geholpen wordt, zijn van even groot belang als de wijze,
waarop de Jamiem Towiem worden doorgebracht. De wijze, waarop over de medemens
gesproken wordt en het roddelen wordt verworpen, is van even groot belang als de
wijze, waarop over het joodse volk en de joodse staat wordt gediscussieerd. De
ernst en de liefde, waarmee door de ouders over het jodendom wordt gesproken, is
van doorslaggevend belang bij de opvoeding van de kinderen. Als die aanwezig
zijn, dan mag verwacht worden, dat bij de kinderen dat hoogste religieuze gevoel
ontwikkeld wordt, dat simcha sjel mitswa genoemd wordt, de vreugde om de mitswa.
En indien onze ouders het cultiveren van dat gevoel nagelaten hebben of ze et
niet in geslaagd zijn dit gevoel bij ons tot ontwikkeling te brengen, dan rust
op ons, kinderen van Gods volk, de taak op oudere leeftijd door zelfopvoeding te
trachten dit gevoel aan te kweken. Een belangrijk hulpmiddel daartoe is bet
bewust uitspreken van de dagelijkse tefilla. Dit zal zeker ons religieus gevoel
ontwikkelen of versterken en daardoor zal onze religieuze behoefte stijgen. Zo
kan ons leven worden: een steeds 'stijgen in heiligheid'. Het belang van
het religieuze gevoel komt treffend tot uiting in het Chassidische verhaal van
de herdersjongen, die zonder jodendom was opgegroeid en steeds maar met zijn
kudde door de wijde velden zwierf. Soms, in zijn eenzaamheid, voelde hij jets
van het grootse van de natuur en kwam er over hem een onbestemd gevoel van jets
hogers, van iets verhevens. AIs dit over hem kwam, zette hij zijn vingers aan
zijn mond en bracht hij dit vage religieuze gevoel tot uiting door het fluiten
van een lied. Eens was hij door een vriend op Jom Kippoer meegenomen naar sjoel.
Het einde van de dag, waarvan hij niet veel begrepen had, naderde. Het was
tijdens het Ne'ila gebed. Hij voelde de religieuze geladenheid van de sjoel, vol
mensen, die in de diepste aandacht God om vergiffenis smeekten, voordat de poort
van de hemel gesloten werd. Daar kwam dat onbestemde gevoel over hem. Hij werd
meegesleept in de devotie van de biddende massa. En daar klonk plotseling tot
grote ontsteltenis van de hele gemeente een schelle fluit: de religieuze
ontlading van de herdersjongen. 'Op de heilige Jom Kippoer gefloten!', sprak men
verschrikt. Maar de rebbe sprak: 'die schelle fluit heeft voor ons allen de
poort van de hemel gekliefd. Nu wordt ons gebed zeker verhoord'. Spontane
en vastgestelde Tefilla Ja maar
misschien hebben we wel behoefte aan tefilla in de eigenlijke zin van het woord,
aan bidden, maar willen we onze persoonlijke moeilijkheden voor God uitspreken
in eigen bewoordingen, spontaan, zoals ze ons uit het hart opwellen? Daartegen
bestaat geen enkel bezwaar en daartoe bestaat de mogelijkheid in de omlijsting
van onze tefilla. En daarvoor mogen we ook gerust onze moedertaal gebruiken.
Maar dit spontane gebed mag onze vastgestelde tefilla niet vervangen. Tefilla
uitspreken is immers naast vragen, hoofdzakelijk luisteren. Misschien is dat wat
er in ons leeft. Misschien zijn de moeilijkheden waarmee we worstelen, een
gevolg van onjoodse invloeden die onze gedachtewereld zijn binnengedrongen. De
tefilla zorgt dan voor correctie van vreemde denkbeelden. Zal
ons gebed worden verhoord? En als we niet
kunnen bidden, omdat ons gebed herhaaldelijk niet verhoord is? Als we daarom
menen, dat het geen zin heeft tot God te bidden? Als de ontzettende ellende, die
we meemaakten, ons zo neergesmakt heeft dat we in onze diepe teleurstelling
menen dat het bidden doelloos is? Dit diepe
probleem is niet in enkele woorden op te lossen. We willen slechts het volgende
erover zeggen. De houding van onze grote mannen uit het verleden kan ons tot
voorbeeld zijn. We denken in de eerste plaats aan koning David, die in zijn
leven zeer veel ongeluk heeft ondervonden. Ondanks dat heeft hij ons in zijn
psalmen ontroerende gebeden uit de diepste ellende nagelaten, waaruit onwrikbaar
Godsvertrouwen blijkt. Hij begreep, dat God in Zijn absolute rechtvaardigheid
zeker gegronde redenen had, als Hij zijn gebed niet verhoorde. Hij zag in, dat
de mens niet rechter over God mag zijn. Misschien had hij niet verdiend, dat
zijn gebed verhoord werd of misschien was het niet verhoren voor zijn opvoeding
nodig. Welke ouders kunnen alle wensen van hun kinderen inwilligen? Misschien
had Gods leiding andere plannen dan met zijn plannen overeenkwam, plannen die de
mens in zijn kortzichtigheid niet kan overzien 'Want niet zijn Mijn gedachten
als jullie gedachten en niet jullie wegen als Mijn wegen', sprak de profeet
Jesaja uit Gods naam. Maar ondanks al zijn moeilijkheden was koning David vast
overtuigd van Gods alziend oog en van Zijn strikte rechtvaardigheid.
En tenslotte
dit: indien ieder gebed verhoord werd, zou dit de waarde van het gebed niet te
niet doen? Zou het gebed dan niet gedegradeerd worden tot koele berekening? En als er,
menselijkerwijze gesproken, geen uitzicht op verhoring van ons gebed bestaat?
Nemen we als voorbeeld, wanneer bij een zieke door de artsen een kwaadaardig
gezwel is geconstateerd, dat niet meer geopereerd kan worden. Laat ons dan ook
het voorbeeld van koning David volgen, toen hij na zijn zonde met Batsjeba van
de profeet Natan vernomen had, dat zijn pas geboren zoontje zou sterven en hij
toch bad. Want hij sprak: 'misschien zal God mij toch genadig zijn en het kind
laten leven' 2Samuël 12, 22. En zo zullen we voor iedere zieke uit onze naaste
omgeving Gods hulp vragen, ingelast in de Sjmoné Esré: 'wilt U, God, spoedig
volledige genezing, geestelijk en lichamelijk, zenden aan...
Misschien doet God een wonder. Misschien hebben de medici zich vergist.
Misschien wordt van medische zijde tijdig een ontdekking gedaan, waardoor de
groei van het gezwel wordt geremd en onze patiënt gered. En indien we de steeds
voortschrijdende achteruitgang van onze patiënt waarnemen. Zullen we God bidden
zijn lijden zo gering mogelijk te doen zijn, en de artsen het juiste inzicht te
geven om door juiste toediening van geneesmiddelen de smarten zo veel mogelijk
te verzachten. Zolang de patiënt in leven is, zullen we Gods hulp blijven
smeken, zoais van koning David gezegd is: 'zolang het kind leefde, vastte en
weende hij, want hij dacht: misschien zal God mij genadig zijn en het kind laten
leven'. Gebedsgenezing, dus genezing alleen door de kracht van het gebed, kent
het jodendom niet. Genezing door gebed is uitsluitend een gebed tot God of Hij
wil doen genezen, of Hij de artsen het heldere inzicht wil geven om bijtijds de
juiste diagnose te stellen en de juiste behandeling in te stellen. En voorts
zullen we God om gezondheid vragen, dus in preventieve zin, om niet door de
ziekte aangetast te worden. Want dat dit de belangrijkste taak van de arts is
blijkt al uit: indien je Mijn geboden opvolgt, zal alk de Egyptische ziekte niet
over jullie brengen, want Ik ben jullie geneesheer' Exod. 15. 26. Zo natuurlijk
het is, dat we God om gezondheid vragen, evenzo menselijk is het dat we om een
inkomen smeken, zodat we zonder zorg kunnen leven. 'Geef ons een eervolle wijze
om ons brood te verdienen', zeggen we in Birkat Hamazon, geef ons
levensonderhoud, op eerlijke, eervolle wijze in ruime mate.'Uit Uw hand direct,
zodat we geen gift of lening van onze medemens nodig hebben.' En in de Sjmone
Esre vragen we: 'zegen, God, dit jaar, laat ons ruim genieten van het goede, dat
U schenkt.. We vragen dit van Hem, in wiens hand rijkdom en eer ligt en die de
macht heeft allen, iedereen, groot en sterk te maken. 1Kron. 29, 12. Geen rijkdom
ten koste van de ander. God kan iedereen rijk en groot maken. Maar een oud joods
wijsheidswoord zegt: 'rijkdom noch armoede geef mij; geef mij, God, mijn
dagelijks brood' Spreuken 30,8. Want rijkdom en armoede kunnen gemakkelijk tot
zonde voeren. Zo vragen we dan ook niet om rijkdom, maar om een parnasa, die ons
in staat stelt zonder zorg op waardige wijze te leven. En ons gebed van iedere
avonden laat vijand, besmettelijke ziekte, oorlog, hongersnood en zorg verre van
ons blijven' zullen we in de terminologie van onze tijd in gedachten zo omzetten:
houd ons bevrijd van antisemitisme, kanker. t.b.c., bombardement,
concentratiekamp, uithongering, alle rampen. auto-ongeluk, tegenspoed in zaken,
etc. Concentratie Het goed
uitspreken van de tefilla is niet eenvoudig. Het eist van ons intensieve
concentratie. Maar al te gemakkelijk vervallen we in een gedachteloos uitspreken
van de woorden, maar al te gemakkelijk laten we ons afleiden door onze omgeving.
Kawana, concentratie, is een onmisbare voorwaarde voor een echt gebed. Bij
voorkeur zullen we daarom trachten het steeds daar uit te spreken, waar de sfeer
geheel op de tefilla is ingesteld, in sjoel. Daar behoort althans een sfeer te
heersen, die concentratie bevordert. De halacha keurt dan ook ten strengste
alles af, wat afleidt van die concentratie. Want dit stoort niet alleen ons
eigen gebed, maar ook dat van anderen. De Misjna Beroera [Orach Chajim 151] zegt
daarover: 'Men mag zich
in sjoel niet op onbehoorlijke wijze gedragen b.v. door te schertsen, te spot
ten of door zo maar te praten. Gewoon praten over ditjes en datjes is al onjuist,
zeker is het verboden te roddelen, kwaad te spreken, ruzie te maken. Want
afgezien daarvan, dat het op zichzelf zonden zijn, de zonde is nog groter op
onze heiligste plaatsen, want ze betekenen een minachting van God, een
belediging van de Koning in Zijn paleis, in Zijn aanwezigheid. Velen struikelen
door deze zonden en brengen bovendien anderen tot deze zonden. Groot is de
ontwijding van Gods Naam, indien deze zonden naar buiten treden. Daarom zal
ieder die eerbied heeft voor God en Zijn woord, er steeds zorgvuldig voor waken
om enig onnodig woord in sjoel te spreken, want deze plaats is uitsluitend
bestemd voor tora en tefilla', Het
gemeenschappelijk gebed, met de spontane individuele uitingen van religieuze
bewogenheid. Kan onze kawana ten zeerste bevorderen. En het is de taak van de
gazan hierin de stuwende kracht te zijn. Als ba 'al tefilla, als 'meester van de
tefilla' dient hij te trachten ons mee te slepen in zijn kawana, ons op te
voeren tot - soms ernstige. soms blijde - religieuze ontroering. Wij van onze
kant. dienen ons bereidwillig open te stellen voor wat de tefilla en haar officiële
vertolker in ons wil opwekken. Het uitspreken
van de tefilla wordt 'awoda sjebalew genoemd, waarbij de nadruk op 'awoda dient
te vallen. Tefilla is activiteit, geestelijke, psychische werkzaamheid, vereist
psychische energie. We dienen haar inhoud geestelijk te verwerken, ons in haar
inhoud steeds meer te verdiepen. Zij is, samengesteld door onze grootste
profeten, denkers en dichters, zo rijk aan gedachten, zo toepasselijk op vrijwel
ieder gebeuren in ons eigen leven en dat van de gemeenschap. dat wij in haar
vrijwel in alle levensomstandigheden antwoord op onze vragen en moeilijkheden
vinden. De levenservaring en levenswijsheid van onze grootste is in de tefilla
neergelegd. Maar we moeten
dan ook de tijd en de rust nemen, die de tefilla vraagt. Ze mag niet een plicht,
een last zijn, die we dagelijks, zo kort mogelijk, verrichten. Ze moet voor ons
zijn een op zichzelf staand, waardevol gebeuren, iedere dag opnieuw. Dan zullen
we ook telkens weer door een andere gedachte getroffen worden, afhankelijk van
onze psychische toestand of van het gebeuren in ons leven en in de grote
maatschappij. Zoals oude joodse geleerden het uitdrukten: een gebed is pas dan
goed uitgesproken, indien men er een nieuwe gedachte in heeft ontdekt (B'rachot
29b) Het zal met onze tefilla zijn alsof er telkens een nieuw licht gaat
schijnen als er moeilijkheden op onze levensweg zijn. Zo zullen in ons leven nu
eens deze woorden van de tefilla voor ons lichtgevend zijn, dan weer andere
gedachten er in voor ons licht uitstralen. En vaak zullen deze lichtende woorden
ons antwoord geven op de problemen, die ons bezighouden. We dienen goed te
begrijpen, dat we de tefilla niet ter wille van God, maar van onszelf uitspreken.
Boosaardig wanbegrip stelt het wel eens voor alsof we God gunstig willen stemmen
door Hem te vleien. Wanneer we God toespreken als de goede, de wijze, de
almachtige, dan doen we dat om ons zelf Gods goedheid, wijsheid en almacht te
doen beseffen en om ons goed er van te doordringen, dat de vervulling van onze
wensen geheel en geheel alleen in Gods handen ligt. Ook wanneer we Gods hulp
vragen met de woorden: 'doet U het ter wille van Uw Naam, dan is dat een uiting
van het diepste religieuze gevoel, dat als hoogste goed ziet de verheerlijking
van Gods Naam. Zoals de dichter van de psalmen het uitdrukt: 'niet ons, Eeuwige,
niet ons, maar bewijs Uw Naam eer' (Psalm 115) Er bestaat een
uitspraak van een onzer geleerden, die op het eerste ogenblik vreemd aandoet en
met het zo-even gezegde in tegenspraak lijkt. In de gemara [Jewamot 64a] luidt
het: 'God verlangt naar het gebed van de goede mens'. Misschien mogen we deze
uitspraak zo verstaan. Tefilla als
contact voelen van de mens met God is niet eenzijdig van menselijke kant,
maar - als we het zo mogen zeggen - ook God van Zijn kant stelt dit
contact op prijs. God verlangt dat de mens contact met Hem opneemt. Innige
religiositeit is als de liefde van man en vrouw tot elkaar, is wederzijds. Zoals
het in het Hooglied, dat naar joodstraditionele zienswijze de verhouding van God
tot Israël beschrijft als de liefde van man tot vrouw, zo mooi is uitgedrukt: 'ik
behoor mijn Vriend en mijn Vriend behoort mij'. Hoe
verheven God ook is. Hij is ons nabij. Er is een
merkwaardige tegenstelling in onze verhouding tot God, die ook in de tefilla tot
uitdrukking komt. Enerzijds stellen we ons God voor ogen in Zijn grootheid, in
Zijn huiveringwekkende, adembeklemmende hoogheid, in zijn hemelboog boven het
menselijk verstand verheven, voor ons onvatbare wijsheid. En anderzijds is er
die - als we het zo mogen zeggen - intieme, vertrouwelijke verhouding tot God,
tot wie we ons als tot een vader kunnen wenden met al onze grote en kleine
moeilijkheden en die ons 'nabij is, wanneer we Hem aanroepen'. Ieder van deze
gedachten over God, alleen, los van de ander, kan ons op dwaalwegen brengen.
Zien we God alleen in Zijn grootheid, dan zijn we allicht geneigd aan te nemen,
dat Hij zich niet met de kleine menselijke kwestietjes bezighoudt. Ja, we kunnen
menen, dat we aan Zijn grootheid afbreuk doen door aan te nemen, dat ons
menselijk doen en laten Hem belang inboezemt. En zien we God anderzijds als onze
vertrouwde vriend, dan zijn we geneigd aan te nemen, dat Hij in Zijn liefde
zeker al onze zonden zonder meer vergeven zal en dat we het daarom met de zonde
niet zo nauw behoeven te nemen. Het jodendom leert dat God in Zijn verhevenheid
en in Zijn liefde voor de mens een en dezelfde is. Scheiding van beide begrippen
is in strijd met de strenge monotheïstische Godsopvatting van het jodendom.
Daarop doelt b.v. de uitspraak van Rabbi Jochanan: 'Overal, waar men Gods
grootheid vindt, ziet men tevens hoe Hij zich met het geringste op aarde
bezighoudt. Zoals er b.v. staat: want God, jullie God, is de grootste God, de
Heer der Heren, de grote, machtige, ontzagwekkende God'. En daarop laat Mozes
direct volgen: 'die recht verschaft aan wees en weduwe, die de vreemdeling lief
heeft en hem brood en kleding geeft' (Deut. 10,17 -18; Zie ook Jesaja 17, 15 en
Psalm 68, 5-6). Deze gedachte vinden we op verschillende plaatsen in onze
tefilla terug. Lees bijvoorbeeld psalm 147; Schuldgevoel
en deemoed Het besef van
Gods verhevenheid en daartegenover van onze kleinheid en nietigheid, onze
menselijke zwakte en hulpeloosheid, dient een religieuze stimulans te zijn. Het
moet de basis van ons religieus gevoel zijn en ons aldus prikkelen voortdurend
naar de stem van ons geweten te luisteren. Het zal ons
verantwoordelijkheidsbesef wakker houden en ons niet laten vervallen in een
bourgeois zelfgenoegzaamheid. Maar het besef van onze menselijke zwakte kan ook
negatief werken. Het gevoel van steeds weer te falen, van steeds maar weer
overwonnen te worden door onze 'slechte hartstocht' kan ook een te sterk
schuldgevoel in ons opwekken en ons tot wanhoop brengen. 'Wat helpt die
voortdurende strijd tegen mijn jetser hara, ik zie me steeds weer vallen,
ondanks mijn beste voornemens. Laat ik de strijd maar opgeven'. Maar voordat we
tot deze defaitistische conclusie komen, hebben we ons terdege eerlijk af te
vragen of we werkelijk alles gedaan hebben om het slechte in ons te overwinnen.
Hebben we geluisterd naar de stem van het jodendom, dat adviseert iedere
gelegenheid te vermijden, die tot overwinning door onze jetser hara kan leiden,
ons verwijderd te houden van ieder mens en iedere plaats, die ons gemakkelijk in
verleiding kan brengen. En dat verder de raad geeft ons met alle energie te
werpen op de verwerkelijking van een ideaal, zodat we daardoor geheel in beslag
genomen worden. Ook de tefilla kan ons een steun zijn bij onze innerlijke strijd.
Als we met al onze energie eerlijk gestreden hebben, is er geen reden tot
wanhoop. En al zullen we toch nog vaak struikelen, dan mogen we toch rekenen op
Gods lief de; God weet immers, dat de mens geen tsaddiek is, die nooit zondigt'
Kohelet 7,20. Hij beoordeelt de mens naar de strijd, die hij met zijn jetser
hara gevoerd heeft en Hij steekt Zijn hand naar hem uit als naar een drenkeling
in het water om hem te helpen. Zoals we het op Jom Kippoer in het Ne'ilagebed
leggen: 'U reikt overtreders de hand en Uw rechterhand is uitgestrekt om hen in
terugkeer te ontvangen, want u verlangt niet de dood van de slechte maar dat hij
terugkeert van zijn weg en blijft leven'. Een te sterk schuldgevoel slaat neer,
het doodt. De Godsidee
moet ons juist oprichten. Als we ons bij de Sjmoné 'Esré enige malen voor God
buigen, leert ons de halacha: 'buig de knieën bij het woord baroech, buig U
voorover bij het woord atta, maar voor ge Gods Naam uitspreekt, richt U dan weer
op,' want 'Gods Naam moet ons oprichten' (Hirsch). En als we ons op Rosj Hasjana
en Jom Kippoer enige malen voor God ter aarde werpen, wat we het hele jaar
verder nooit doen, doen we het niet bij het uitspreken van de Widdoej, van het
schuldbelijden, maar bij het beleven van Gods aanwezigheid 'im Schauen der
unmittelbaren Gottesnahe', in de tempeldienst in vroeger tijden (Rosenzweig). Zeker, het
jodendom leert dat God niet versmaadt een gebroken en deemoedig hart (Psalm
51.19) en dat: 'God nabij is hen die gebroken van hart zijn' (Psalm 34,19) Het
beseffen van eigen kleinheid, het voelen van eigen nietigheid en machteloosheid,
het echt gebroken zijn van hart door sterke schuldgevoelens, zal zeker een fase,
een steeds terugkomende fase in ons psychisch leven lijn, maar de gebroken tonen,
de sjewariem en teroe'a van de sjorar op Rosj Hasjana moeten onmiddellijk door
de ongebroken tekie'a gevolgd worden, door de opwekking tot nieuw, ongebroken
leven. Sjema'
Jisrael Deze
grondgedachte van bet jodendom, die het zuivere monotheïsme definieert, bevat
ook de bovengenoemde idee, dat God een en dezelfde, een ondeelbare eenheid is,
hoe Hij zich ook aan ons manifesteert: hetzij als God van de Liefde, als God,
die 'doet zijn', wat de vier-letterige Naam tot uitdrukking brengt, - hetzij als
God van het Recht, die 'in de beginne hemel en aarde geschapen heeft' en die als
zodanig de mens kritisch beoordeelt of hij Zijn wereld niet door wangedrag ten
gronde richt. Gods
vertrouwen Heb vertrouwen
in God en Zijn liefde, leert het jodendom. Dit Godsvertrouwen geeft ons een
gevoel van veiligheid. van geborgenheid. De
Zin der B'rachot We vinden een
groot aantaI dingen in het leven vanzelfsprekend. Dat we 's morgens uitgerust
wakker worden, de ogen kunnen openen, onze spieren kunnen gebruiken, kunnen
lopen, onze kleding naast ons bed vinden, ons ontbijt gereed vinden staan, al
deze dingen, ja, we denken er niet over na en zeker danken we er niet voor. 't
Is allemaal heel gewoon, vanzelfsprekend, dat dit zo het geval is. We beleven
het niet bewust. Het jodendom wil dat we al deze dingen bewust beleven, iedere
dag opnieuw en wel steeds weer als een geschenk van God. Dit is de bedoeling van
de ochtendb'rachot, waarin we God danken, dat we weer kunnen zien, kunnen lopen,
ons kunnen kleden, dat we uitgerust zijn, dat we als jood mogen leven. Vandaar
ook de nadruk in het driemaal daags uitgesproken Asjre (Psalm 145) dat God het
is, die eten geeft op de juiste tijd, die Zijn hand opent en met liefde al wat
leeft tevredenstelt (zie vertaling op pag. 68). Vandaar ook in de bracht. Die
aan Sjema' voorafgaan: dat God het is, die als het ware dagelijks opnieuw de
wereld schept, en dat God het alleen is, die zeer bijzondere daden verricht,
nieuwe scheppingen tot stand brengt, Heer van oorlog en vrede is, die het goede
doet ontstaan, hulp verleent, genezing brengt. Het oude en het geregeld
terugkerende, dat waaraan we gewend zijn, stemmen ons meestal niet tot nadenken,
slechts het nieuwe geeft onze vreugde. Als een kind begint te spreken, verheugen
de ouders zich met ieder geluidje, dat hun baby voortbrengt. Ieder nieuw woord,
dat het kind uitspreekt, is voor hen een bron van blijdschap. Maar als 't kind
ouder geworden is en gewoon spreekt, dan is dat vanzelfsprekend, niemand schenkt
er bijzondere aandacht aan, niemand verheugt zich er meer over. Individu
en Gemeenschap Is het gebed op
zichzelf een zeer persoonlijke religieuze uiting, het mag niet egoïstisch of
egocentrisch zijn. We lagen reeds het belang van het gemeenschappelijk gebed.
Het zich onderdeel weten van een gelijkgerichte, in tefilla verdiepte
gemeenschap vestigt reeds onze aandacht op de andere delen van die gemeenschap.
Die gemeenschap, bij voorkeur te samen in het Bel-Hakkenesel, in sjoel, weet,
dat ze de plaatselijke joodse gemeenschap, de kehilla is en dat die weer
onderdeel is van de grote joodse gemeenschap, het joodse volk, de Kelal lisrael,
die op haar beurt weer een onderdeel van de mensheid is. Zo voert de tefilla ons
naar de zorgen en noden van onze medemens, vanaf onze naaste in onze 'Woonplaats
naar onze mede-joden en medemensen. Ja, de halacha adviseert naar aanleiding van
Psalm 17,15 iedere keer voor het gebed tsedaka-geld af te zonderen of te geven. De
verbondenheid met Tsion En verder voert
ons de tefilla naar het joodse land, vragen we herstel van Tsion als in vroegere
tijden, en de komst van de Masjieach. Ja, het was juist o.a. de tefilla, die in
de lange jaren van het galoet steeds de band met het joodse land heeft doen
vasthouden en die ons nu, nu we weer Goddank een joodse staat bezitten, laat
zien, dat onze uiteindelijke idealen nog niet vervuld zijn. Algemene
Godserkenning De tefilla
verruimt onze blik. Voert ze ons - plaatselijk - van ons eigen, egoïstisch, ik,
naar de gemeenschappen, waarvan we onderdeel zijn: naar kehilla, naar het joodse
volk, naar de mensheid, ook tijdelijk, historisch, voert ze ons van het
vluchtige nu, enerzijds naar de oudste tijden, naar de schepping der wereld en
het ontstaan van het volk Gods en anderzijds naar de toekomst, naar het einde
der dagen, naar het einddoel van de wereld, naar de tijd van wereldvrede, overal
heersende voorspoed en algemene Godserkenning. Zo zeggen we het in dat prachtige
Alénoe, waarmee we ieder gebed besluiten. Zo vragen we
ook steeds om vrede aan het slot van de Sjmoné-"Esré en van het besjen;
'Die vrede sticht in zijn hoge sferen moge ook vrede brengen voor ons en voor
heel Jisrael'. Heiliging
van Gods naam KADDIESJ De mens in zijn
kleinheid en nietigheid - tegenover God in zijn mysterieuze, ondoorgrondelijke
grootheid! God wil, God
stelt op prijs de hulde van de mens, want daaruit blijkt zijn diepste verlangen
naar contact met God. God verlangt immers naar tefilla van de goede mens. "Ik
wil geheiligd worden temidden van de kinderen lsraëls. Ik, God, die u oproept
tot levensheiliging" (Lev 22.23).
In een wereld, waarin het eigenbelang van volkeren en individuen vrijwel steeds
de doorslag geeft bij belangrijke beslissingen, waarin het heilige vrijwel
steeds als irreëel en fantastisch daarbij wordt uitgeschakeld, is het de taak
van het joodse volk en de joodse enkeling - Kaddiesj uit te spreken, Gods Naam
te heiligen. Zo is Kaddiesj een getuigenis, een belijdenis, een verkondiging in
het openbaar, dat heiliging van Gods Naam in woord en in daad - in en door het
leven in de eerste plaats, desnoods ook door het prijsgeven van het leven - het
hoogste streven van iedere jood en van het joodse volk als geheel moet zijn.
Zodat het besef van Gods heiligheid het hoogste bezit van de gehele mensheid zal
worden en Gods Rijk, het Malchoet Sjamajiem, op de gehele wereld spoedig, in
onze dagen, werkelijkheid zal worden. "Een
lofzang op de Eeuwige brengt mijn mond tot uiting en al wat leeft prijst zijn
heilige Naam (Psalm 145,21). OCHTEND- en
AVOND-tefilla Ons dagelijks
gebed, 's morgens en 's avonds, is opgebouwd op de grondslag van de
bovenvermelde psalm 19. Het eigenlijke gebed, de Sjmoné-'Esré, vormt het slot
en wordt voorafgegaan, vóór Sjema', door twee b'rachot. In de eerste daarvan
beleven we Gods openbaring in de natuur, de tweede beschrijft Gods openbaring in
de tora. In het ochtendgebed van de werkdag worden beide openbaringen
uitvoeriger beschreven. De eerste b'racha beschrijft het ontwaken van de natuur
als een grootse huldiging van de natuurkrachten, die als een koor van engelen
iedere dag opnieuw God heiligen met de roep, die de profeet Jesaja vernam: 'heilig,
heilig, heilig is de Eeuwige Tsewaot, heel de aarde is vol van Zijn Majesteit'. En op
Sjabbatochtend. Als we meer tijd en rust voor onze tefilla hebben, wordt deze
schildering nog uitvoeriger en grootser, hetgeen alleen uiterlijk al tot uiting
komt doordat de zang van de werkdag, die samengesteld is uit woorden in
alfabetische volgorde geplaatst, nu deze gedachten uitwerkt in zinnen, naar de
letters van het alfabet gerangschikt. De
Sjmoné-'Esré En dan volgt,
evenals in Psalm 19, de eigenlijke tefilla. Want, ligt, zoals gezegd, de nadruk
van onze tefilla in het algemeen op
onze levensbeschouwing, het gebed in de eigenlijke zin van het woord, het
bidden, het vragen, het smeken, is zo zeer menselijk, dat het vanzelfsprekend
ook zijn plaats in onze tefilla heeft. Dit eigenlijke gebed vormt het hoofdthema
van de Sjmoné-Esré, de tefilla uit negentien b'rachot bestaande, die we
staande, stil, uitspreken, nadat we ons voorbereid hebben door het uitspreken
van een aantal psalmen, de beide genoemde b'rachot, het Sjema' en een daarop
aansluitende b'racha. Voordat we ons tot God wenden met onze verlangens, moeten
we ons voor ogen stellen wat God van ons verlangt. In al wat aan de Sjmoné-'Esré
voorafgaat, houden we ons voor, wat het jodendom van ons - met onze aanleg en
karakter, met onze opvoeding en de mogelijkheden van ons milieu - verwacht. We
spreken het uit en houden ons daarmee als het ware een spiegel voor: zo zijn we
en zo konden en moesten we zijn. We zien ons zelf eerlijk, zoals we in
werkelijkheid zijn en kunnen zo zelf onze conclusie trekken door vergelijking
met het geschetste beeld. Na deze voorbereiding wagen we het voor God te treden
met onze wensen: wensen voor ons lichamelijk en geestelijk welzijn en voor dat
van onze gemeenschap. De moderne wetenschap ziet de mens als een socio-psychosomatische
eenheid, d.w.z. als eenheid van lichaam, ziel en milieu. De drie factoren beïnvloeden
elkander. Voor optimaal welzijn is nodig gezondheid van lichaam, psyche en
omgeving. De mens is als sociaal wezen afhankelijk van zijn omgeving en voor
lichamelijke en geestelijke gezondheid is een gezonde, d.w.z. rustige,
evenwichtige omgeving voorwaarde. Het
smeekgebed Dat het volk
van het lijden, van het onbeschrijfelijke wrede galoet, vele smeekgebeden heeft
voortgebracht, is begrijpelijk, het is niet anders te verwachten. We spreken ze
ook nu nog dagelijks en speciaal iedere maandag en donderdag uit, ook al hebben
we de Medienat-Jisrael. De toestand daar en zeker in vele landen van het galoet
is nog lang niet volmaakt. Het
dankgebed Maar daarnaast
bevat onze tefilla talrijke uitingen van dankbaarheid voor al wat we van God
mochten en mogen ontvangen. Zo danken we God in de Sjmoné-'Esré 'voor ons
leven, dat in Uw hand ligt, voor de wonderen, die U dagelijks met ons verricht,
voor Uw liefde, die we te allen tijde van U ondervinden'. En in bet dankgebed na
de maaltijd, in Birkat Hamazon, spreken we het uit, dat God het is, die al het
bestaande van voedsel voorziet en 'door wiens goedheid ons nooit voeding
ontbroken heeft en ontbreken zal'. En ondanks al het lijden, dat ons volk moest
doormaken, klonk steeds weer het Hallel, het Hallel, dat van de oudste tijden
als ons volkslied beschouwd werd, het Hallel, waarvan de centrale gedachte is: 'dankt
God, want Hij is goed; eeuwig duurt Zijn liefde' zie Jeremia 30,11; Ezra 3,11;
Kronieken 11,5.13 en 7,31. God
in vreugde dienen De grootste
dankbaarheid zal de religieuze mens gevoelen voor het voorrecht, dat hij God
dienen mag en dit schenkt hem een gevoel van vreugde. In een stemming van
vreugde en vertrouwen zal men zijn gebed beginnen, leert de halacha. We zeggen
het in ons ochtendgebed: "juicht voor de Eeuwige, allen op aarde. Dient de
Eeuwige met vreugde, verschijnt voor Hem met jubelgezang"(Psalm 100) en we
beginnen de vrijdagavonddienst met: "komt, laten we juichen voor de Eeuwige,
onze vreugde uiten voor onze rotsvaste hulp (Psalm 95). In het leven
zelf - zegt S.R. Hirsch - kunt u zich niet sterk maken voor het leven, want het
neemt u geheel en al in beslag, het vraagt al uw kracht en energie. Vóórdat u
dagelijks uw taak begint, dient u zich op het leven in de maatschappij voor te
bereiden. De tefilla geeft die voorbereiding. Vandaar dus, dat we tefilla
uitspreken 's morgens vóór het begin van onze dagtaak en 's avonds als
inleiding voor de nacht. En 's middags, juist midden in het leven, in de volle
activiteit voor ons levensonderhoud, een korte onderbreking voor een
confrontatie met de joodse levenswaarden. Juist dan valt de nadruk op het
inleidende Asjre'. Het is niet
gemakkelijk steeds het gehele gebed met volledige concentratie uit te spreken.
Want dit vereist grote zelfbeheersing. Wanneer we hierin niet altijd slagen,
zullen we toch steeds van onze tefilla het innerlijke verrijkende besef meenemen,
dat we contact met God mochten hebben. En steeds opnieuw zullen wij ons
verantwoordelijkheidsbesef als jood en als mens voelen. En zo zal steeds bet
besef in ons levendig gehouden worden, dat we in Gods wereld als kinderen van
Gods volk leven. Dit is bet minimum, dat de tefilla ons schenkt. Het is in onze
hand van onze tefilla iets te maken. En hoe meer we van haar maken, des te meer
ontvangen we van haar terug.
|